Wandelend
stuitten wij op een plukje dons en natte ingewanden. Zo weinig nog, van een
jong dat had moeten uitgroeien tot een vrolijke zangvogel. Grasmus misschien?
Het nestje met vijf jonge grasmusjes, is
knus maar veilig weggeborgen in de wirwar van meidoorntakken bezijden de
landweg. Mamma, tevreden over hun vliegkunst, heeft haar kindjes gemaand: “Nooit
aan deze kant het nest verlaten hoor!” Zij wijst met haar rechtervlerk.
Uitvliegen!
Ons grasmusje, eigenwijs of misschien
behept met oriƫntatieproblemen, landt op een onafzienbaar zwart vlak.
Bijzonder! Zijn oogjes puilen uit. Hij negeert aanzwellend motorlawaai, dat zo
vertrouwd klinkt alsof hij met een vol buikje in het warme nest doezelt.
“Mammmaaa…, mamma kom eens kijken…”
Het geluid sterft weg, de zon klimt.
Niets is hier meer te doen, weet moeder
Grasmus. Verdriet lijmt haar aan het asfalt. Als zij ons, twee wandelaars ziet
verschijnen, weet zij dat vier kleintjes op haar bemoediging wachten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten