vrijdag 3 februari 2017

Liefdesdaad

Zij voelden zich paria’s in de gemeenschap waarin zij zijn opgegroeid. Als hun geheim wordt ontdekt wil het volk hen niet meer, worden zij verschoppelingen, doodverklaard. Daarom ondernamen zij hun reis.
Er is vrijheid voor het volk mits men zich aan de gedragsregels houdt. Die zijn niet streng. Er is er slechts één die, op straffe van een gruwelijke dood, niet overtreden mag worden: geen vrouw mag zich zonder toestemming laten bezwangeren en geen man mag ongevraagd de liefde bedrijven. Slechts de Gravida, in haar functie als eminent leidster, mag willekeurig ieder mannetje dat zij geschikt acht kiezen als vader voor een nieuwe stam, of toewijzen aan een geëigend vrouwtje. De huidige Gravida bereikte deze positie vanaf het moment dat zij het zwaarste vrouwtje bleek. Haar voorgangster werd bij die gelegenheid gedood evenals diens jongste stamgroep.
 Als rittens waren zij al hevig verkikkerd op elkaar. Maar toen zij volwassen werden, zagen zij de hopeloosheid van hun relatie in. Zij wisten dat groeien, net zolang groeien tot zij het gewicht van de leidster zal overtreffen, bijkans onmogelijk is: pogingen van lotgenoten veroorzaakten steevast toename van het gewicht van de Gravida.
Reeds twee vruchtbaarheidsperioden hadden zij in onthouding doorgemaakt toen zij geruchten hoorden. Ene Marten Leo de Koning verkondigt opvattingen waarmee de voorrechten van de Gravida en het opgelegde celibaat ontkracht worden. Hij zou ‘over de grote plas’ wonen. Toen zij voor de derde keer vruchtbaar werd proefden zij stiekem de illegale liefdesdaad. De tweede dag voelde zij al veranderingen in haar lichaam en in de tweede week werden haar spenen merkbaar langer en dikker. Zij konden niet blijven.
Die grote plas zou in het oosten zijn.
Als zij van onze soort waren geweest hadden wij hen emigranten genoemd, vluchtelingen wellicht. Zij gingen alsmaar voort, het bloed jakkerde door hun aderen. Gisteren, vroeg in de avond van hun vijfde reisdag, bereikte het hulpeloos verliefde paar de restanten van een kersenboomgaard. Daar, aan de uiterste rand en over bulten korzelig bevroren sneeuw, lag een smalle sloot. Niet de grote plas, stelden ze teleurgesteld vast. Bezorgd keek hij naar haar uitdijende buik. De tijd drong, zij moesten zich haasten om een veilig en warm onderkomen te vinden. Krabbelend over het ijs bereikten ze de overkant en vonden een strak en oneindig lang, dor en onnatuurlijk ruikend vlak. Hij stelde haar gerust. ‘Rennen, we moeten rennen zo snel we kunnen, dan is het spoedig achter de rug!’
Zo deden zij.
Bijna halverwege doemden van links twee vurige ogen op. Verbijstert richten zij zich op en staarden naar dit fenomeen. Haar laatste gedachten gingen uit naar het jonge leven in haar schoot.

Ik vond hen tijdens een rondje hardlopen. Onbarmhartig uitgesmeerd op het asfalt. Zij aan zij, hun neuzen wijzend naar het oosten. Twee ratten voor altijd verenigd in het moment van hun dood. Zij hebben het niet gehaald, de overkant van de weg of waarheen zij ook op weg waren, hoewel ze een andere vrijheid vonden dan zij hadden verwacht.



dinsdag 10 januari 2017

Winterslaap

Een vermeende plastic draagtas verandert in een lapjeskat. Hij zit lekker in het zonnetje en uit de wind. Zijn vacht dik uitgezet, geniet hij spinnend van de zon, droomt met open ogen. Ik voel jaloezie omdat hij zijn vier pootjes, zijn handen en voeten, tegelijk onder zijn lijf kan stoppen zodat ze lekker warm blijven.
Terwijl ik passeer geeft hij geen krimp, zelfs geen knipoogje!
Tegelijkertijd mijn handen en voeten onder mijn lijf verwarmen zoals deze lapjeskat, zal mij nooit lukken. Als schooljongen had ik daar mijn moeder voor. Als ik in de winter thuiskwam propte ik beurtelings mijn ijskoude handen en voeten onder haar warme billen. Nu weet ik zeker, daar genoot ik meer van dan ik zou doen als ik dat kattenkunstje zou beheersen.
De keukenkachel stond te loeien, mijn handen gingen gloeien en ik werd roezig, viel als het ware in een ultrakorte winterslaap.