Ik kijk de Tesstraat af, over de kruising met de Trambaan, en zie de opgang
naar de Waalbandijk, verbeeld mij de wijde plas, tot over de dijk en de Waal,
waarin boomstammen en kadavers van dieren drijven. Verbeeld mij het
reddingsvlot tegen de gevel: de sergeant zorgt voor enige stabiliteit door zijn
linkerhand stevig om de daklijst te klemmen opdat een van zijn manschappen Wim,
die met wijd opengesperde schrikogen zijn broers en zussen een voor een door
het raam zag verdwijnen, kan helpen door het kleine raam in de wiebelige boot
te klauteren. Na de kinderen volgen zijn ouders en de broer van zijn vader,
waarbij de boot gevaarlijk diepgang maakt, alvorens zij samen naar een
veiligere plaats worden geëvacueerd. Maar eerst gaat het stroomopwaarts naar de
zolder van de school.
Ongeveer tien jaar na de watersnoodramp wordt Wim zelf ook militair. Daar had hij geen zeggenschap over, hoewel hij er eigenlijk niets voor voelde om van huis te gaan. Toch was er ook een positieve kant aan militair zijn, hij had dat niet verwacht: Wim ontving gage, dus ‘geld in de knip’. Hij kon zomaar sigaretten kopen! Regelmatig vertelt hij mij over het feit dat hij als eerste in de familie een polshorloge bezat. Al spoedig was daar de mobilisatie. Nederland kon niet langer neutraal blijven. In de eerste oorlogsdagen moest Wim op transport. De Grebbenberg bereikte hij nooit vanwege vervoersproblemen, nu weten we hoeveel geluk hij daarbij had!
Ongeveer tien jaar na de watersnoodramp wordt Wim zelf ook militair. Daar had hij geen zeggenschap over, hoewel hij er eigenlijk niets voor voelde om van huis te gaan. Toch was er ook een positieve kant aan militair zijn, hij had dat niet verwacht: Wim ontving gage, dus ‘geld in de knip’. Hij kon zomaar sigaretten kopen! Regelmatig vertelt hij mij over het feit dat hij als eerste in de familie een polshorloge bezat. Al spoedig was daar de mobilisatie. Nederland kon niet langer neutraal blijven. In de eerste oorlogsdagen moest Wim op transport. De Grebbenberg bereikte hij nooit vanwege vervoersproblemen, nu weten we hoeveel geluk hij daarbij had!
Het kostte wel even moeite om Wim vandaag
mee te krijgen. Ter verontschuldiging moet ik toegeven dat we er ook niets over
hadden afgesproken. Ik overviel hem: “Ik heb de auto meegebracht Wim, heeft u
zin om uw ouderlijk huis op te zoeken?” Wim aarzelt, we zitten nog maar net aan
een eerste kopje koffie, die hij al klaar had voor mijn komst, ik was een
beetje laat vandaag: “Ach…, ik weet het niet jongen…, dat is zo ver reizen!”
Het is duidelijk dat hij zich bezwaard voelt om van mijn aanbod gebruik te
maken. Als ik tenslotte opmerk dat ik het erg leuk zou vinden, dat ik graag wil
zien door welk raam of luik hij tijdens de watersnoodramp is gekropen, stemt
hij opgelucht met mijn voorstel in (zie ook Snippers.) Gehaast schenkt Wim een tweede kopje in en
pak ik de koffiemelk nog een keer voor hem uit de koelkast. Terwijl de koffie
afkoelt, knabbelend op een tweede krakeling, staat Wim onrustig op en gaat in
een lade rommelen. Hij bladert in het album – dat, weet ik, met een verzameling
foto’s waarmee hij, kort na haar dood op eerste kerstdag 2003, een beeld heeft
willen geven van het leven van zijn dierbare Mien – en legt het weer weg. Rommelt
opnieuw en pakt een klapper op, bladert, zucht en mompelt dat wat hij zoekt
niet hier in huis ligt. Ik zeg hem dat het niet uitmaakt, maar hij hoort het
niet: hij wordt week na week dover, iets dat vooral voor zichzelf een last is.
Wim gaat weer zitten en neemt een slokje koffie, maar staat onmiddellijk weer
op en plukt uit dezelfde klapper van zo-even, een envelop waaruit een drietal
foto’s van het huis van de familie Kuijpers te voorschijn komen (nu we
tegenover dat huis staan vermoed ik dat hij zich thuis al bezorgd voelde, bang
was dat hij het niet gemakkelijk terug zou vinden.)
We ruimen samen af en ik help Wim in zijn warmste jas (de temperatuur is veel te laag voor deze 15e mei!)
We ruimen samen af en ik help Wim in zijn warmste jas (de temperatuur is veel te laag voor deze 15e mei!)
Wim en ik lopen een stukje de kruising op
en kijken de Trambaan af; waar staat de kerk eigenlijk? Aanvankelijk kijken we
in de verkeerde richting, zoeken we naar de kerktoren van Beneden-Leeuwen in
plaats van die van Boven-Leeuwen, waarna Wim zijn vergissing bemerkt. Links,
over de weilanden, schuin achter een grote vrijstaande villa, vinden we de kerktoren
van zijn jeugd. Nu begrijp ik hoe zijn moeder, onder het mom dat zij de bedden
moet opschudden, Wim, vanuit een van die bovenramen, nakijkt op zijn weg naar
de kerk. Zij kan de Trambaan tot aan de kruising met de Molenstraat afkijken
en, in de herinnering van Wim, controleren of hij daadwerkelijk naar de kerk
gaat. We lachen samen om dat beeld!
Wim heeft in die tijd verkering met Mien van de Broek die, net zoals hij, ook nog bij haar ouders woont, aan de Molenstraat, kort op de kruising met de Trambaan. Bij iedere kerkgang komt Wim dus langs haar thuis! Op mijn opmerking “…dat hij dus wel vaak en graag naar de kerk ging!”, moet Wim schaapachtig lachen: “…och jongen, dat geheugen van mij!” Hij weet het niet als ik hem naar zijn leeftijd vraag toen hij Mien leerde kennen, als ik hem vraag op welke leeftijd hij zijn ouderlijk huis verliet, en als hij zelfs zijn huwelijksdatum niet kan reproduceren, meen ik het oprecht: “Dat geheugen van u is inderdaad nog geen twee centen waard!” Maar terwijl ik het zeg voel ik dat het wel erg onaardig klinkt, dat het niet mijn bedoeling is om hem te beledigen. Misschien gaat dat met mijn geheugen ook wel zo, peins ik. Afijn, maar even afwachten tot ik zelf de vierennegentig nader.
Wim heeft in die tijd verkering met Mien van de Broek die, net zoals hij, ook nog bij haar ouders woont, aan de Molenstraat, kort op de kruising met de Trambaan. Bij iedere kerkgang komt Wim dus langs haar thuis! Op mijn opmerking “…dat hij dus wel vaak en graag naar de kerk ging!”, moet Wim schaapachtig lachen: “…och jongen, dat geheugen van mij!” Hij weet het niet als ik hem naar zijn leeftijd vraag toen hij Mien leerde kennen, als ik hem vraag op welke leeftijd hij zijn ouderlijk huis verliet, en als hij zelfs zijn huwelijksdatum niet kan reproduceren, meen ik het oprecht: “Dat geheugen van u is inderdaad nog geen twee centen waard!” Maar terwijl ik het zeg voel ik dat het wel erg onaardig klinkt, dat het niet mijn bedoeling is om hem te beledigen. Misschien gaat dat met mijn geheugen ook wel zo, peins ik. Afijn, maar even afwachten tot ik zelf de vierennegentig nader.
Wim vond bij een hovenier in Wamel zijn
eerste echte baan, een mooie gelegenheid om aan trouwen te denken. Maar hij en
Mien konden er geen huis huren want zij waren van een ander dorp, zij waren van
Leeuwen! Zo ging dat in die jaren, en gedurende nog vele jaren daarna. “Kopen,”
meende zijn nieuwe baas optimistisch, “kopen kan wel!” Kopen? Een
verbijsterende gedachte voor Wim, zij bezaten immers geen rooie cent! Maar
evengoed deed zich dit buitenkansje voor en Mien wilde graag aan een eigen
gezin beginnen. Dus? Naar de notaris. Er wordt een koopcontract ondertekend:
“Iedere week, als ik wat geld over houd, zal ik het naar de bank brengen”, neemt
Wim zich voor. De notaris raadt hem aan om zijn overtollige guldens maar op te
sparen tot hij er honderd bij elkaar heeft. Zo werd het aflossen van de
hypotheek mondeling afgesproken. Vertrouwen was toen de basis voor nagenoeg
alle handelingen tussen mensen.
We lopen weer terug naar zijn ouderlijk
huis dat volgens Wim, door de aanbouw opzij, een heel ander aanzien heeft
gekregen. Het raam in de schuur herken ik van een foto die ik net in Wim zijn
kamer zag. We zien nu ook dat het niet altijd nummer vijftien is geweest: “Kijk,
Wim, hier naast de deur is een oudere nummeraanduiding weg geschraapt.” Bij de
bel is een vermelding aangebracht. Waarschijnlijk lang geleden want de blauwe
inkt is tamelijk uitgebleekt en nog maar net is leesbaar: ‘Bel defect. Gelieve
achterom te gaan.’ Wij voldoen aan dit verzoek zij het dat Wim aarzelt. Pas als
ik hem geruststel met de mededeling dat de bewoners daar immers zelf om vragen,
loopt hij met mij mee. Als iemand ons aanspreekt vraag ik of we nieuwe klompen
kunnen kopen, neem ik mij voor (maar spreek deze intentie niet uit.) Via een
kronkelpad langs het huis komen we in de achtertuin. Opzij, door de grote ramen
van de aanbouw, kunnen we vrijelijk naar binnen kijken. De inrichting oogt saai
en we zien geen beweging. In de achtertuin is het stil op het gezang van een
lijster na, de vogel zelf kan ik niet ontdekken.
Op het terras bij de achterdeur voel ik de emotie van Wim. Hier moet de plaats zijn geweest waar zijn vader klompen stak, hier moet de stapel klompenhout hebben gelegen die zoveel ellende heeft veroorzaakt doordat ze met het woeste rivierwater werd meegesleurd, hier heeft Wim zijn pa regelmatig geholpen door de klompen langdurig en uiterst zorgvuldig, spiegelglad te schuren. “De tuin is helemaal veranderd!”, meent Wim. Natuurlijk, na al die jaren! Zijn vader was vroeg oud. Misschien heeft de ramp van de overstroming, in 1926, hem wel de das omgedaan. Wim herinnert zich dat hij iedere zondag met zijn vader naar de kerk meeliep, samen met zijn broers en zussen. “Wij mochten niet praten, geen vragen stellen, want pa kon tijdens het lopen (iets meer dan anderhalve kilometer, zoals we proefondervindelijk vaststellen) niet antwoorden vanwege zijn slechte longen.” Wim heeft mij dat al vaker verteld. Vermoedelijk leed zijn vader aan longemfyseem, hij stierf kort na die grote overstroming.
Het wegvallen van de inkomsten uit de klompenmakerij, ook al waren die schamel, had een groot effect voor zijn moeder: hoe moest zij nu in het onderhoud van haar relatief grote gezin voorzien? Wim weet er weinig meer van. Wel weet hij dat hij en zijn broers de tuinen van de meer welgestelden in het dorp gingen onderhouden, en zijn zusjes kregen ‘een dienst’ in Nijmegen: dat spaarde op hun onderhoud terwijl zij tegelijkertijd een klein loon verdienden.
Er is inderdaad niemand thuis, het oogde al zo stil in het huis, hoewel er rook aan de achterkant van de schuur opstijgt. Ik had de stiekeme hoop dat Wim binnen een kijkje had mogen nemen, dat hij een blik had kunnen werpen door een van de ramen vóór. Ik had ook graag even over de vloer gelopen waarop de Kuijpertjes een aantal dagen bivakkeerden. Maar er is niemand thuis. Jammer!
Op het terras bij de achterdeur voel ik de emotie van Wim. Hier moet de plaats zijn geweest waar zijn vader klompen stak, hier moet de stapel klompenhout hebben gelegen die zoveel ellende heeft veroorzaakt doordat ze met het woeste rivierwater werd meegesleurd, hier heeft Wim zijn pa regelmatig geholpen door de klompen langdurig en uiterst zorgvuldig, spiegelglad te schuren. “De tuin is helemaal veranderd!”, meent Wim. Natuurlijk, na al die jaren! Zijn vader was vroeg oud. Misschien heeft de ramp van de overstroming, in 1926, hem wel de das omgedaan. Wim herinnert zich dat hij iedere zondag met zijn vader naar de kerk meeliep, samen met zijn broers en zussen. “Wij mochten niet praten, geen vragen stellen, want pa kon tijdens het lopen (iets meer dan anderhalve kilometer, zoals we proefondervindelijk vaststellen) niet antwoorden vanwege zijn slechte longen.” Wim heeft mij dat al vaker verteld. Vermoedelijk leed zijn vader aan longemfyseem, hij stierf kort na die grote overstroming.
Het wegvallen van de inkomsten uit de klompenmakerij, ook al waren die schamel, had een groot effect voor zijn moeder: hoe moest zij nu in het onderhoud van haar relatief grote gezin voorzien? Wim weet er weinig meer van. Wel weet hij dat hij en zijn broers de tuinen van de meer welgestelden in het dorp gingen onderhouden, en zijn zusjes kregen ‘een dienst’ in Nijmegen: dat spaarde op hun onderhoud terwijl zij tegelijkertijd een klein loon verdienden.
Er is inderdaad niemand thuis, het oogde al zo stil in het huis, hoewel er rook aan de achterkant van de schuur opstijgt. Ik had de stiekeme hoop dat Wim binnen een kijkje had mogen nemen, dat hij een blik had kunnen werpen door een van de ramen vóór. Ik had ook graag even over de vloer gelopen waarop de Kuijpertjes een aantal dagen bivakkeerden. Maar er is niemand thuis. Jammer!
“Daar woonde de bakker,” Wim wijst naar het
huis aan de overkant. Toenmaals ging het om een bedrijfswoning met een rieten
dak. Wim herinnert zich het heftige onweer en de grote brand, er stond toen een
sterke wind: “…het brandende riet lag tegen onze voordeur gewaaid!”. Wim wijst
en ik voel als het ware de hitte van de uitslaande vlammen op mijn rug. De
brandweer, uitgerust met zo’n krakkemikkige wagen voorzien van handbediende
pompen, zo stel ik mij voor, kan deze grote klus niet mannen. Er is geen houden
aan. Verderop moeten zij nog een huis aan het hongerige vuur prijsgegeven,
aangestoken door het riet van de bakker. Een ander brand half af, weet Wim, maar
dat van hen blijft behouden, wonderbaarlijk, dat wel.
We stappen in de auto en rijden via
Trambaan, Wim weet zich niet meer te herinneren tot welk jaar zij nog met de
tram naar Nijmegen (via Beuningen!) konden reizen, en Molenstraat naar de kerk.
Mijn horloge geeft aan dat we nog een
ruim half uur mogen spenderen (Wim moet om twaalf uur thuis zijn want dan wordt
het warme eten opgediend: “Anders krijg ik niets!”). Wim wijst de ouderlijke
woning van Mien, de gesloten luiken geven het een onbewoonde indruk, even
verderop herkent Wim de karakteristieke woning van “..meester Kok”. Op het
moment van uitstappen ziet Wim zijn vroegere school: “…daar ging ik altijd naar
school. Laatst hebben we er een keer gegeten!” Dat was met de Cliëntenraad van
het zorgcentrum, waarin Wim als bewoner zitting heeft. En inderdaad, aan de
gevel, boven de toegangsdeuren van het langgerekte gebouwtje – d’n Dulper genaamd – hangt het reclamebord van een biermerk. Het
gebouw doet mij sterk denken aan de lagere school die ik zelf bezocht. In een
van de vroegere klaslokalen zit een groep ouderen bijeen, zo te zien hebben zij
het gezellig samen. Zij zijn ook duidelijk geïnteresseerd in ons. Een van hen
zwaait vriendelijk als ik haar blik vang.
Wij lopen weer terug naar het kerkgebouw,
op 29 april 1918 is het in gebruik genomen (anderhalf jaar voor de geboorte van
Wim) en toegewijd aan de heilige Willibrordus. Aan de andere kant van het hek,
weet Wim, staat het huis van de hoofdonderwijzer van de lagere school. En
“…kijk, daar woonde de kapper.” Maar we zijn meer geïnteresseerd in de
begraafplaats. Het kerkhof is heel goed onderhouden. Het is duidelijk dat er
veel oudere graven nog niet al te lang geleden zijn geruimd. De opengevallen
plaatsen zijn keurig aangeharkt en er zijn rijtjes nieuwe plantjes gepoot. Hier
en daar, onder een berg bloemen, zien we een vers graf. Op een van de zerken,
gitzwart spiegelend marmer, staat fier een zanglijsterman maar hij houdt,
misschien uit piëteit met de overledenen of met ons, zijn snavel stijf opeen.
Een merel, de snavel vol nestmateriaal, scharrelt tussen enkele potten met uitgedroogde
planten. Ik wijs Wim op de witgrijze veer die misplaatst uit een van de vlerken
van de scharrelaar krult, maar de merel verdwijnt voortijdig en luidruchtig
protesterend (maar waartegen?) tussen de hoge struiken die de dodenakker
omsluiten. Zelf loopt Wim ondertussen zoekend rond, ik kijk naar familienamen
en let vooral op wat oudere stenen. Wim vindt de plaats waar zijn ouders hebben
gerust. Het is er aangeharkt en er zijn plantjes gepoot. Nog niet lang geleden
heeft hij met Tonnie, zijn jongste zus, afgesproken dat zij de betaling van grafrechten
definitief beëindigt, want: “…wie komen er hier nog?”
We lopen verder langs een korte rij van kleine, vierkante gedenkstenen. Sommigen voorzien van een afbeelding. Daaronder is waarschijnlijk de as van dierbaren begraven, zodat er toch nog een plaats is om hem of haar te gedenken. Het grind knarst onder onze schoenen zoals dat slechts op kerkhoven knarst. Wim staat stil voor het diepzwarte marmer van het graf waarop zojuist de lijsterman stond, wees hij ons de weg? Sinds 2009 rust hier zijn broer Jan, onder deze enorme plaat en opgaande korte zuilen, samen met zijn echtgenote. Kinderen hadden zij niet. Vandaar dat rijke graf?, vraag ik mij af, maar ik zeg niets, Wim even alleen latend met zijn gedachten.
We lopen verder langs een korte rij van kleine, vierkante gedenkstenen. Sommigen voorzien van een afbeelding. Daaronder is waarschijnlijk de as van dierbaren begraven, zodat er toch nog een plaats is om hem of haar te gedenken. Het grind knarst onder onze schoenen zoals dat slechts op kerkhoven knarst. Wim staat stil voor het diepzwarte marmer van het graf waarop zojuist de lijsterman stond, wees hij ons de weg? Sinds 2009 rust hier zijn broer Jan, onder deze enorme plaat en opgaande korte zuilen, samen met zijn echtgenote. Kinderen hadden zij niet. Vandaar dat rijke graf?, vraag ik mij af, maar ik zeg niets, Wim even alleen latend met zijn gedachten.
In stilte, ieder met herinneringen aan onze
eigen doden, verlaten wij het kerkhof en stappen in de auto. Op de terugweg
zien wij nog het huis waarin Mien ook nog een poosje heeft gewoond. Het
behoorde aan pastoor Dekkers, weet Wim. We rijden nog eenmaal langs het
toenmalige huis van de familie Kuijpers, om via de Tesstraat richting Van
Heemstraweg naar Beuningen te rijden. Wim vertelt over iets in je broekzak
steken: “Doe maar in je tes, zeiden wij…, zo kwam men aan de naam Tesstraat!”