zondag 16 mei 2021

 De varensgezel

 

 Waarschijnlijk bedoelde Socrates dat voor hem het idee van de absolute waarheid niet bestond toen hij zei ‘Ik weet dat ik niets weet’. In dat licht maakt iedere lezer gehakt van mijn ingesloten bewering in de volgende zin: Soms komt er een weetje op mijn pad. En dat is wel het laatste van wat ik wil, beweren dat ik alles (al) weet. Het tegendeel is waar: ik weet zo weinig dat elk nieuw feitje – mits prikkelend genoeg dat ik er alles van weten wil – kan worden opgeteld bij de som van mijn kennis. Vooropgesteld dat het lukt om het in mijn meer of minder actieve werkgeheugen op te slaan.

Zo, nu durf ik het aan: Soms komt er een weetje op mijn pad. Een stukje informatie waar je een enkele keer je voordeel mee kunt doen of dat interessant genoeg is om in het laatje ‘kan nog van pas komen’ op te bergen. Waarschijnlijk gaat het meeste van hetgeen mijn oren of ogen bereikt langs me heen, onafhankelijk of ik het eerder al wel of niet hoorde of zag, blijft het meeste ongehoord en ongezien. Gelukkig zijn er genoeg momenten dat iets wel direct binnen komt. Soms in een flits terwijl je met je aandacht vooral bij iets anders bent, bijvoorbeeld bij een boek of een artikel. Ik noem een voorbeeld: een dezer dagen, ik las de krant terwijl op de achtergrond de radio afgestemd op NPO1 speelde, hoorde ik een heldere vrouwenstem in keurig Nederlands zingen, veel beter articulerend dan de meeste hedendaagse zangers en zangeressen. Een fragment van haar lied kwam luid en helder verstaanbaar bij mij binnen: ‘Op de hoek van de straat, staat een NSB’er. ’t Is geen man, ’t is geen vrouw, ’t is een farizeeër. Met een krant in de hand, staat hij daar te venten. Hij verkoopt z’n vaderland, Voor vijf losse centen…’ Het was voor het eerst dat ik dit liedje hoorde, dit snippertje van onze geschiedenis, terwijl de Tweede Wereldoorlog wel altijd mijn belangstelling heeft. Het spotliedje werd in 1942 gezongen door Jetty Pearl en tijdens de bezettingsjaren uitgezonden via radio Oranje.

Het liedfragment van Jenny – wat voor mij een grappig weetje vormde – bleef een paar dagen bij mij haken. Het meeste van wat onverwacht, maar ook verwacht binnenkomt beklijft echter niet en vormt overtollige bagage die je gerust direct in de prullenbak van je geheugen kunt gooien. Mijn lerend vermogen kent grenzen, Je kunt nu eenmaal niet altijd op de toppen van je aandacht leven.

 

Verzamelaar

Voordat ik op de proppen kom met mijn beloofde leuke weetje – overigens een stempel dat meer over mij zegt dan over het betreffende weetje – wil ik eerst vertellen dat ik al sinds mijn kinderjaren verzamelaar ben. Aanvankelijk spaarde ik van alles, vaak samen met mijn één jaar oudere broer Jan. Zoals sinaasappelmerken, lucifersdoosjes en sigarenbandjes. Later kwamen daar ook sigarettendoosjes, postzegels en sponsorspeldjes bij die je op je revers kon dragen. Terugkijkend op die periode vind ik dat niet gek. We waren thuis met heel veel kinderen en het weinige speelgoed dat er was probeerde je aan te vullen met, meest waardeloze spullen die op je pad kwamen. Zo kon een kapotte klomp worden verknutseld tot een bootje of een lege verpakking kon je uitvouwen en bijvoorbeeld gebruiken voor een tekening of een bouwwerkje. Soms viel mijn oog op iets bijzonders zoals dat eerste ragfijne en kleurrijk bedrukte stukje papier dat ik in het keukenafval ontdekte. Het bleek de verpakking van een sinaasappel. Achteraf gezien is het een wonder, dat in die jaren een dergelijke uitheemse vrucht ons ouderlijk huis wist te bereiken. Mede vanwege de schaarse inkomsten waarvan ons gezin met zestien kinderen moest rondkomen. Het was veel te mooi en in mijn ogen, en in die van mijn broer, veel te kostbaar om zomaar weg te gooien. Vooral toen we ontdekten dat er verschillende versies bestonden. In mijn wandelverhaaltje van 29 januari 2019 (https://dekkertje.blogspot.com), waarin ik eventuele uitruilmogelijkheden van politici schetste, schreef ik: Dat deden mijn broer en ik ook, dingen met elkaar uitruilen. Zoals van die zijdezachte velletjes papier waarin zuidvruchten werden verpakt (tegenwoordig plakt men er van die saaie stickertjes op). We waren acht en negen, of misschien negen en tien, toen er thuis, waarschijnlijk voor het eerst in ons leven, sinaasappels verschenen, die bovendien verpakt waren in van die mooie, schitterend bedrukte, stukjes papier (het betrof vast een geschenk van de een of andere tante of oom, want geld voor zulke luxe vruchten hadden onze ouders niet). Zonde om weg te gooien, vonden wij. Dat was het begin van een kortdurende verzamelwoede. En naarmate de tijd verstreek verschenen er duplicaten in onze sinaasappelmerken-verzameling, maar ook gaten. Dus probeerden we daarin evenwicht te vinden door met elkaar te ruilen.

‘Als ik die van jou krijg, mag jij er een van mij uitzoeken.’

‘Nee, voor die daar wil ik er twee van jou, want die van mij is met goud bedrukt!’

‘Oké, maar die daar wil ik niet, daar zitten kreuken in.’

‘Nou, dan strijk ik hem toch glad!’

‘Ja, nou wil ik hem helemaal niet meer, nou heb je er ’n scheur in gemaakt.’

Afijn, zo ongeveer had het er toenmaals aan toe kunnen gaan”. 

Van al die verzamelobjecten waren sigarenringen maar vooral postzegels blijvertjes en werd ik een filatelist in de dop. Nou ja, eigenlijk ben ik daar nooit uitgegroeid, uit die dop bedoel ik. De meeste zegels kreeg ik van familie en buren, afgescheurd van briefkaarten, tijdschriften- en krantenbanderollen en enveloppen. De gebruikte zegels afweken, drogen en in een album opbergen, dat waren op zichzelf al leuke activiteiten. Een enkele keer kon ik mijn verzameling een flinke boost geven door naar Opmeer te fietsen (firma Taconis) of zelfs naar Hoorn, om voor een habbekrats in een speciaalzaak een zak vol gebruikte postzegels te kopen: nog meer afweken, drogen, selecteren en opbergen. Op de lagere school ruilde ik postzegels met klasgenoten en later tijdens speciale bijeenkomsten van de jeugdbeweging in het parochiehuis van de kerk. Toen – ik vermoed in 1958, ik was toen elf jaar – kwam de eerste officiële ruilbeurs voor verzamelaars op mijn weg – niet alleen postzegels, maar ook lucifersmerken, sponsorreversspeldjes, sinaasappelmerken, sigarenbandjes enzovoort. In alle opzichten een feest voor verzamelaars. Tafels vol ruilobjecten.

Het was daar, in het gemeenschapshuis van Hoogwoud, dat ik geconfronteerd werd met het begrip catalogus. Ik had nog nooit zulke geordende lijsten van postzegels gezien. Het feest werd voor mij compleet toen ik zo’n, in mijn ogen juweeltje, in mijn schoot geworpen kreeg. Van een vriendelijke oude man kreeg ik een Catalogus van de postzegels van Nederland en overzeese rijksdelen, uitgegeven door de NVPH (Nederlandse vereniging van postzegelhandelaren). Voor zover ik het mij herinner was het een exemplaar uit 1951. Behoorlijk gehavend doordat het driftig was gebruikt. Uit mijn ruilmateriaal koos het vriendelijke ouwetje drie postzegels, meer wilde hij niet voor zijn sleetse boekwerkje hebben. Maar voor mij was dat beduimelde ding vol kreuken en scheuren, een echte eyeopener. Voor het eerst kreeg ik over- en inzicht van de Nederlandse postzegels van 1852 tot en met 1951 en leerde ik kleine stukjes over de Nederlandse geschiedenis. Zo kon ik uit de catalogus leren welke postzegels ik nog niet in mijn bezit had en dat waren er uiteraard vele malen meer dan die ik wel bezat. Maar belangrijker was dat ik op deze ruilbeurs begrip kreeg over de manieren waarop ik mijn postzegels kon bewaren. Dat deed ik tot dat moment in oude enveloppen, schriftjes en goedkope plakboeken maar vanaf dat moment namen  insteekalbums die belangrijke taak over.

Belediging

Ik groeide op. Vriendschappen, school, werk, verkering en gezin eisten een groot deel van mijn aandacht. Onder meer daardoor schoot het verzamelen er bij in en leden mijn verzamelingen een slapend bestaan. Tot ik in 1978 in Nijmegen naast een buurman ging wonen die een fervent verzamelaar was. Laat ik hem huiselijk Gerard noemen. Hij spaarde naast postzegels ook sigarenbandjes. Timothy, onze oudste was toen een jaar of zeven en was laaiend enthousiast toen hij mee mocht kijken met buurman Gerard. Hij kwam thuis met enkele postfrisse velletjes kinderzegels en een insteekboek. De eerste weken daarna zocht Timothy Gerard een aantal malen op en kwam steevast met nieuwe aanwinsten thuis. Wij voelden ons een beetje bezwaard en bespraken dat met onze buren tijdens een avondbezoekje. Buurman maakte een wegwerpgebaar om duidelijk te maken dat het om niemendalletjes ging. Bij die gelegenheid kwam ook zijn Willem II sigarenbandjesverzameling ter sprake: paddenstoelen, bloemen, vogels, enzovoort. Omdat ik een slapende verzameling sigarenringen bezat kon buurman Gerard veel van zijn missing links opvullen, zodat wij ons een beetje opgelucht voelden over de royale wijze waarmee Gerard onze zoon op weg probeerde te helpen. Uiteraard nam ik die taak van hem over met behulp van mijn eigen verzameling. Maar Timothy had het druk met waar jongetjes van zijn leeftijd nu eenmaal druk kunnen zijn, en schonk na verloop van tijd nauwelijks aandacht aan zijn verzameling. Ik nam die zorg uiteindelijk steeds meer van hem over. Sindsdien ben ik lid van de Nijmeegse Filatelisten Vereniging Noviopost en werd weer een aantal jaren min of meer actief als postzegelverzamelaar. Desondanks ben ik nooit een echte filatelist geworden. Wel bleef ik via Noviopost maandelijks het blad Filatelie ontvangen, lezen en bewaren.

 

In het vierde nummer van Filatelie, jaargang 2021 schrijft Wim Warburg ‘Het verzamelen van poststukken heeft z’n charme. Het gaat niet alleen om poststukken die vanuit postaal oogpunt interessant zijn.’ Daarna volgt een interessant verhaal over een poststuk ‘Monster zonder waarde’ dat in 1865 werd verzonden door de firma Groot uit Andijk naar een handelshuis in Londen – Nanne Janszoon Groot was bij leven koopman in- en teler van tuinzaden, hij stierf op drieëntachtigjarige leeftijd en liet een vrouw, elf kinderen en zesenvijftig kleinkinderen achter. In dat filatelistisch verhaal zat een in mijn ogen grappig feit gesloten waarvan ik nog nooit eerder hoorde. In vroeger jaren speelde plaatsing van de postzegel op het poststuk nauwelijks een rol van betekenis. Iedere postbeambte, in het beste geval gewapend met een officieel datum-ontwaardingsstempel, vond die immers in één oogopslag. Tegenwoordig is het algemeen gebruikelijk dat een postzegel rechtsboven op het poststuk wordt geplakt – dat is namelijk de enige plek waar een sorteermachine van PostNL de zegel kan vinden. ‘Heel lang geleden’, schrijft Wim, waren veel mensen het daar niet altijd mee eens. Hun weerstand werd opgeroepen door postzegels waarop het profiel van de afgebeelde persoon naar links is gericht, zoals op de postzegel met de beeltenis van Koning Willem III – uitgegeven mei 1864 in een oplage van 12.222.000 stuks – waarvan Nanne Janszoon Groot uiteindelijk zes exemplaren op zijn Monster zonder waarde hechtte. Rechtsboven opgeplakt kijkt de afgebeelde persoon als het ware weg van de geadresseerde. Dat vond men halverwege de 19e eeuw een uitgesproken belediging, vooral als de afgebeelde persoon de koning is. Daarom plakte men in die dagen dergelijke postzegel(s) in de linker bovenhoek.

Persoonlijk heb ik nooit gelet op het gegeven dat een en-profil afbeelding op een postzegel links of rechts georiënteerd is. ‘Wegkijken’ tijdens een ontmoeting, vooral als dit bewust wordt gedaan, kan inderdaad als kwetsend worden ervaren, maar dat het zelfs als belediging kan worden opgevat als het een opgeplakte postzegel betreft vind ik een grappig idee. Nog leuker werd het in Wim Warburg’ verhaal toen over zijn ontdekking vertelde, dat alle zes postzegels op het betreffende poststuk uit 1865 bewust in een dusdanige positie zijn geplaatst dat ‘Koning Willem III’ altijd wegkijkt van de naam van de geadresseerde. Namelijk één in de rechterbovenhoek, twee rechtsonder en drie linksonder, maar deze laatsten omgekeerd! Waarom zou de firma Groot dat hebben gedaan? Omdat de firma gebrouilleerd was met de geadresseerde Londense firma John Clark & Sons. Volgens Wim Warburg was dit halverwege de negentiende eeuw niet ongebruikelijk.

 

Millennium

Sinds een aantal jaren heb ik een nieuw verzamelobject gevonden, namelijk het verzamelen van mijn voorouders. Mijn interesse voor deze nieuwe hobby is ontstaan door het NTR televisieprogramma Verborgen Verleden – eerste aflevering 26 september 2010. In elke aflevering gaat een bekende Nederlander op reis om een stukje van haar of zijn stamboom te onderzoeken.

Het begon ermee dat ik met behulp van Excel, onze meest nabije familieleden in een overzicht probeerde samen te brengen. Met support van mijn broer Jan, alweer Jan, het kan niet anders, we hebben absoluut allebei het verzamel-DNA van onze ouders en voorouders meegekregen. Het ging ons niet alleen om de namen van onze grootouders, ouders, ooms en tantes, nichten en neven, broers en zussen, onze kinderen en kindskinderen, maar ook de datums van geboorte, huwelijk en overlijden, voor zover wij dat uit eigen agenda’s en andere gegevensdragers konden achterhalen. Dat leverde al een indrukwekkende hoeveelheid gegevens op en een bevredigend gevoel bovendien.

Toen we alles op een rij hadden konden we ons nog een tijd lang bezighouden met het genereren van leuke weetjes uit de verzamelde familieleden, zoals de gezamenlijke leeftijd van ons, kinderen van het kerngezin. Zo ontdekten we medio 2015 dat we rond 8 november 2016 met ons veertienen – met uitzondering van Nico (09-09-1950 – 28-05-1980) en Ina (01-07-1935 – 02-08-1994) – de mooie leeftijd van één millennium zouden bereiken. We vierden het bereiken van deze mijlpaal bij onze jongste broer Willem en zijn vrouw Anneke in Julianadorp.

Na het overlijden van nog twee zussen, Annie (14-11-1936 – 03-09-2019) en Tiny (25-12-1942 – 22-11-2018) en twee broers, Bruun (15-05-1938 – 03-08-2018 en Rem (26-06-1939 – 15-12-2020), konden we helaas niet zo veel jaren meer bij de reeds bereikte duizend optellen en is het kerngezin van mijn vader en moeder gekrompen tot tien personen.

De Exel-stamboom is een nuttig hulpmiddel gebleken voor de boekhouding van de meest belangrijke gebeurtenissen in onze familie maar bracht ons niet verder dan onze grootouders. Naast een vaag begrip van wie onze overgrootouders zijn, kon ik mijn nieuwsgierigheid naar hun ouders en grootouders niet bevredigen. Terwijl het programma Verborgen verleden zoveel meer betekent voor BN’ers! Die uiteraard stevige hulp van een redactie en onderlegde archivarissen kregen.

Onderzoek via het internet naar mijn voorouders bracht mij op het spoor van het in 2003 opgerichte bedrijf MyHeritage. Dit is een online genealogieplatvorm. Met behulp van een basis abonnement gedurende één jaar bouwde ik vanaf 17 september 2016 aan de digitale Dekkertjes-stamboom. Ik ging er voortvarend mee aan de slag en kon gedurende dat jaar tientallen voorouders in beeld brengen. Tevens ontdekte ik een paar leuke feiten. Zoals die verre voorvader, Cristoffel Nicolauszoon Meulenkamp, de overgrootvader van opa Dekker die vanuit Duitsland West-Friesland bereikte. En het werd nog leuker, want in plaats van landbouwer, arbeider of boerenknecht – de gebruikelijke beroepen waarin de meesten van mijn voorvaderen hun dagelijks brood verdienden – was deze Duitse voorvader kleermaker van beroep. Nu is het zo dat ik gedurende een aantal jaren, ondersteund door een heuse Margriet-opleiding, kleding maakte. Mijn moeder claimde in die tijd dat ik deze handigheid van haar had geërfd. Zij was immers degene die nagenoeg alle kleding voor haar kinderen naaide of breide. Jammer dat ik moe niet over mijn ontdekkingen heb kunnen vertellen: ‘Hé moe, weet u wat? Mijn vaardigheid met de naaimachine kwam niet alleen via jouw genen maar ook langs die van pa!’ Jammer. Het heeft niet zo mogen zijn: mijn moeder is op 28 september 1988 op de relatief veel te jonge leeftijd van vierenzeventigjarig jaar wegens een hersenbloeding overleden (terwijl ik deze laatste zinnen schrijf ben ik al een paar weken ouder dan zij mocht worden!)

Verdriet

Wij Dekkertjes wisten niet beter dan dat opa en opoe Dekker acht kinderen hadden gekregen, precies de helft van het gezin van onze ouders – alom in Westfriesland noemden wij onze grootmoeders opoe, en dat doe ik nog steeds als ik aan mijn grootmoeders denk ook al noemen onze kleinkinderen ons oma en opa. We kenden onze zeven ooms en tantes goed en konden hun namen als het ware vlot reproduceren. Nooit hebben we vermoed dat opoe meer kinderen zou kunnen hebben gekregen. Enkele van de eerste matches met historische records via MyHeritage lieten zien dat mijn vader een zus en een broer heeft gehad die op zeer jeugdige leeftijd gestorven zijn. Er zal derhalve veel verdriet zijn geweest in het gezin van opa en opoe.  Echter over dit zusje en broertje heeft pa nooit gerept. Niet heel vreemd want de keren dat vader Jan ons (mij) iets vertelde, wat dan ook, waren zeldzaam. Het eerste verlies waarmee ik geconfronteerd werd betrof Nico. Maar er is een groot verschil met het verlies van mijn vader: toen mijn broer op negenentwintig jarige leeftijd overleed, was ik tien jaar getrouwd en zelf vader van twee kinderen. Evengoed, ook al was ik voorbereid op zijn dood – hij leefde al een paar jaar met longkanker – was het bericht voor mij schokkend.

Anna, het zusje van mijn vader, is geboren op 29 november 1914 en zij overleed op 12 maart 1915. Pa was zes dagen voor haar dood zeven jaar geworden. Hoe moet dat voor hem zijn geweest? Met haar ruim drie maanden moet Anna al nadrukkelijk aanwezig zijn geweest in het gezin van mijn grootouders. Mijn vader zal haar hebben geknuffeld, en misschien getroost of een flesje gegeven. Kwam hij op die bewuste vrijdag tuis van school en trof hij het gezin in diepe rouw aan? Of was zijn kleine zusje al overleden voordat hij naar school ging? Lag het dode meisje opgebaard in een wieg, een ledikantje of in de bedstee van haar papa en mama? Kwam er in die dagen een begrafenisondernemer aan te pas? Hoe marcheerde het dagelijks leven in dat kleine arbeidershuisje? Zorgde pa tijdens die verdrietige dagen, samen met zus Marietje die op tien dagen na één jaar ouder was dan hij, voor zijn jongere broertje en zijn twee zusjes? Voor opoe en opa Dekker moet het een enorme domper zijn geweest terwijl zij tegelijkertijd de zorg voor nog vijf kinderen hadden. Hoe dan ook, het leven ging verder. Dertien maanden later, op 6 juni 1916 kreeg pa weer een babyzusje. Deze nieuwe Anna mocht wel in leven blijven, hoewel Tante Annie op de nog jeugdige leeftijd van zesenvijftig jaar overleed (zij was moeder van elf kinderen).

Bijna vijf jaar na de dood van hun eerste kindje overkwam mijn grootouders opnieuw zo’n drama: op 31 januari overleed baby Hyronimus. Hij heeft  slechts dertien dagen geleefd. Babysterfte was zeker niet zeldzaam tijdens die eerste jaren van de vorige eeuw. Was dat daarom gemakkelijker te dragen? En hoe kijkt een bijna twaalf jaar oude jongen tegen zo’n drama aan? Misschien logeerde pa gedurende die dagen bij zijn grootmoeder, opoe Geertje Hoogland, zoals ik ook met regelmaat ergens logeerde om bij thuiskomst te ontdekken dat er in het ledikantje op de slaapkamer van pa en moe een nieuw broertje of zusje lag. Na een paar van die logeerpartijen kreeg ik door hoe de vork aan de steel zat maar toen, na mijn jongste broer Willem, kwamen er geen kleine Dekkertjes meer bij.

Op 25 februari 1922, twee jaar na de dood van het babybroertje van mijn vader werd opnieuw een jongetje geboren. Deze ‘nieuwe’ Hyronimus die Roon werd genoemd, had meer geluk hoewel ook hij veel te jong, op 4 augustus 1983, overleed. Hij werd eenenzestig jaar maar overleefde evengoed zijn vrouw die een jaar eerder op zevenenvijftigjarige leeftijd overleed. Zij hebben negen kinderen gekregen. Na hun overlijden bleven er zes kinderen achter. In 1951 verliet Roon als laatste het gezin van opa en opoe Dekker. Hij was toen negentwintig, zijn twee jongere zussen waren al eerder getrouwd – in 1946 en 1948. Inmiddels, waarschijnlijk in 1950, hadden mijn grootouders een deel van een flinke boerderij, veel dichter bij de kerk van Wognum, betrokken zodat het ouderlijk huis vrijkwam voor hun jongste zoon en schoondochter. Opa Dekker stierf kort na de verhuizing, op 25 augustus 1952. Hij is drieënzeventig jaar geworden. Opoe Dekker overleed op 14 augustus 1956. Een paar weken daarvoor is zij nog zelfstandig naar haar zoon en schoondochter gewandeld, niet beseffend dat zij haar huis voorgoed achter zich liet. Tijdens dat bezoek is zij ziek geworden. Die laatste dagen zorgde tante Sjaan voor haar. We hebben in de woonkamer van ome Roon en tante Sjaan afscheid van opoe Dekker genomen.

Nog meer verdriet

Vooral bij ome Roon en tante Jeanette, door iedereen tante Sjaan genoemd, kwam ik vaak over de vloer, frequenter dan bij mijn andere ooms en tantes. Hij was veertien jaar jonger dan mijn vader. Een warme vrolijke man met een door het veelvuldige werk op het land verweerde kop. De vrolijke verhalen waarvan de lachrimpels rond zijn ogen en mond getuigden, veranderden na verloop van jaren in trieste, hartverscheurende verhalen.

Ome Roon was tuinder in hart en nieren. Hij teelde onder andere anemonen, tulpen en gladiolen, maar ook aardappelen, wortels, uien en bonen. In de zomer van 1954, toen de anemonen bloeiden, kon ome Roon iemand met kleine en gevoelige handen zoals die van mij goed gebruiken. Ik was zeven toen ik mocht helpen met het oogsten van anemonenwol. Wat ook voor mij sprak was, dat ik nog relatief kort van lengte was. Voortdurend diep bukken was voor mijn oom veel lastiger dan voor mij! Hij liet mij precies zien hoe ik van een afstandje kon zien welke zaadbollen oogstrijp waren en hoe ik die het best van de ‘vruchtblaas’ af kon schuiven, en zorgvuldig in een diepe katoenen zak stoppen, die wel wat weg had van de collectezak waarmee de koster in de kerk rondging. Er mocht niets van het uiterst fijne en kostbare zaad verloren gaan! Ik deed het niet voor de dubbeltjes die ik met dit werkje verdiende, die moest ik overigens toch afstaan aan mijn moeder. Ik was gewoon graag met ome Roon op het land. Ik genoot van zijn aandacht en ik vond het heerlijk als hij mij complimentjes gaf. Vooral bij zonnig weer rende ik na school snel naar zijn land omdat ik wist dat er weer een heleboel zaadbolletjes rijp zouden zijn. En dan begroette hij mij vaak met een stem vol giecheltjes: ‘Ha, ben je d’r weer m’n joôn!’

Nog zie ik mijn oom ongerust de hemel afspeuren als er wind dreigde waardoor een deel van de oogst zomaar weg zou kunnen waaien: ‘Snel Siem, ik helpe je effies dan benne we klaar voor de wind ‘r is!’

Totdat ik in Hoorn naar de technische school ging werkte ik geregeld met ome Roon op zijn land. Niet alleen met de anemonen. Ook tulpenbollen poten, aardappelen rooien, wieden, slabonen plukken, enzovoort. Vaak vertrouwelijk dicht naast elkaar zodat ik zijn adem door zijn neus hoorde suizelen. Ik herinner me warme momenten in de drukke, kleine woonkeuken waar we ons tijdens ‘konkeltoid’ bij de kachel warmden met een dampende kop koffie en een ‘konkelstik’, twee dik beboterde plakken roggebrood ruim belegd met oude kaas. Onderwijl vermaakte mijn neefje Bruno zichzelf in de box terwijl zijn twee oudere zusjes, Annie en Klazien vrolijk rond de keukentafel huppelden. Baby Mary kondigde vanuit de wieg aan dat zij honger had. Ondertussen redderde tante Sjaan opgewekt wat er te redderen viel en liet de radio nieuwsberichten horen – met het uitgebreide weerbericht en afsluitend de waterstanden: ‘Ssst, effies stil nou!’

Het tuinbouwbedrijf groeide gestadig. Een enkele maal ontstond er veel spektakel als een van de kleintjes in de smalle sloot langs het erf viel. Twee van hen werden door mij ‘gered’.

Ik herinner mij een voorval waar ik geen helderheid over kan krijgen. Het betreft een bijzondere boodschap die ik op verzoek van tante Sjaan heb gedaan. Tante wist dat ik regelmatig bij haar broer Jaap Schilder kwam omdat hij met ons, jongeren van de Katholieke Jeugdbeweging Spanbroek, het jaarlijkse toneelstuk instudeerde. Jaap woonde in een bijna nieuw hoekhuis aan de andere kant van Spanbroek en was in het bezit van een grote Sint Bernardshond. Op een van de dagen dat ik op weg van Hoorn naar huis bij oom en tante aanging – ik zal vijftien of zestien zijn geweest en wist dat er in het gezin een kind ernstig ziek was. Tante was in de bollenschuur toen ik haar daarnaar vroeg. In mijn herinnering ging het om Lou’tje en kon hij niet meer beter worden of was zelfs diezelfde dag overleden. Tante wilde dat ik dit aan haar broer zou vertellen. Ik zag daar erg tegenop, daarom ben ik maar direct doorgefietst. Hoe dichter ik het huis van Schilder naderde hoe zenuwachtiger ik werd. Op mijn bellen deed de vrouw van Jaap open en werd ik begraven onder minstens zestig kilo hond. Toen het wat rustiger werd en wilde vertellen waarvoor ik kwam, kon ik nauwelijks uit mijn woorden komen. In mijn herinnering moest ik aan een stuk door lachen. Een zenuwlach natuurlijk. Het zal op zich wel goed gekomen zijn, met dat bericht, maar dat het inderdaad Lou betrof daarover twijfel ik nu. Hoewel het natuurlijk kan zijn dat mijn neefje in die dagen ernstig ziek is geweest, moet het over een van de andere kindjes zijn gegaan. Feit is dat Lou Dekker nog leeft, voor zover ik weet. Wel staat vast dat in de betreffende periode Adela is geboren, op 26 september 1962. Ik was toen ruim vijftien en een half jaar. Adela overleed op 6 februari 1964. Een paar maanden voor haar dood ben ik bij het schilderbedrijf van Jaap Lanjouw in Medemblik aan het werk gegaan. Uit dit alles blijkt dat het voorval tijdens de laatste maanden van mijn schildersopleiding plaats heeft gevonden, en dat Adele het zieke kindje was dat maar niet beter kon worden. Hoe dan ook, een peutertje van zestien maanden verliezen is zwaar en moet een enorme schok in het gezin hebben veroorzaakt. Helaas was het voor hen daarmee nog niet gedaan.

Toen het gezin van ome Roon en tante Sjaan groeide en er ook voor het bedrijf meer ruimte nodig was, werd het huis uitgebouwd en verscheen er een grote open bollenschuur achter het huis. Nog weer later werd de kleine arbeiderswoning, het ouderlijk huis van mijn vader, gesloopt en verscheen er een nieuw, ruim woonhuis waarin het gezin nog enkele jaren vrijer heeft kunnen wonen. Ten slotte hebben ome Roon en tante Sjaan huis, erf en bollenschuur verkocht om honderd meter verder, aan de overkant van de straat een nieuw huis en bedrijfsgebouw te betrekken. Dagelijks fietste ik langs op weg naar school en weer naar huis en zag de verbouwing vorderen. Af en toe ging ik bij hen aan de vorderingen te zien en nieuwtjes op te pikken. Ik zie tante Sjaan in de splinternieuwe, halfopen bloembollendroogschuur staan waar zij dankbaar gebruik maakte vooer het drogen van haar natte was. Dat ging echt erg snel, vertelde zij mij. Vanaf het moment dat ik naar Nijmegen verhuisde hoorde ik nog maar sporadisch iets over het wel en wee van deze familie. Ook het nieuwe huis en de nieuwe bedrijfsruimte stonden er voor mijn gevoel plotseling toen ik vanuit Nijmegen via de Tramweg naar Wadway reed. Riky en ik hebben hen daar nog enkele keren bezocht, onder meer om hen uit te nodigen voor onze bruiloft.

Op Driekoningen 1978, de dag na mijn verjaardag, stierf Ron Dekker nadat hij op een fietspad was aangereden door een automobilist. Ron was nog maar zestien jaar. We kregen dat droevige nieuws pas een aantal weken nadien, toen we een bezoek aan mijn ouders brachten. En alsof dat niet genoeg was bleef het ongeluk hen achtervolgen. Opnieuw duurde het wéken voordat het bericht over een tweede dramatische aanrijding ons bereikte. Anderhalf jaar na Ron werd mijn negentienjarige nichtje Jeanet aangereden door een automobilist die waarschijnlijk teveel alcohol gedronken had. Ook zij fietste op een vrij liggend fietspad. Zoals gezegd werden mijn oom en tante niet oud. Het kan niet anders of het verwerken van zoveel verdriet, zoveel stress en rouw, moet hun gezondheid ernstig hebben ondermijnd.

 

 Vrachtrijders

Onze zich steeds verder ontwikkelende stamboom gaf onverwacht ook antwoord op een vermoeden waarmee ik al een poosje langer rondliep. Zo schreven wij kinderen, voornamelijk mijn broer Jan en ik, rond 2010 een bondige kroniek over onze familie, welke opgenomen is in twee opvolgende jaarboeken van Stichting Historisch Spanbroek-Opmeer. Daarin laten we onze geschiedenis beginnen in 1934 op de datum van het huwelijk van onze ouders. We schreven: ‘Zij gingen wonen in de buurtschap Wadway, Laantje A2 (nu Spanbroekerweg 241) te Spanbroek waar zij voor een bedrag van 1500 gulden een klein vrachtrijdersbedoeninkje overnamen van vrachtrijder Jan Groot.’ Nadien vroeg ik mij af of dat wel zo was. Of pa ook het vrachtrijdersbedrijf had overgenomen? Of de ‘overname’ niet beperkt was tot de aankoop van het huis met aanbehoren? In de koopacte, gedagtekend 16 januari 1934, wordt uitsluitend vermeld: Een huis met erf en boomgaard, aan de Laan te Wadway, ...’ Bovendien is bekend dat Jan Groot Janszoon als vrachtrijder naar elders vertrok.

In de jaren voor het gemotoriseerde verkeer bestond het vermogen van een transportbedrijf voornamelijk uit de klantenkring. Daarnaast had je iets nodig om vracht mee te vervoeren. Er waren er die een hondenkar gebruikten of een door een ezel getrokken kar. Pa beschikte over een paard en wagen, zo een met een opbouw waarop reclameborden voor onder meer Van Nelles Koffie en Thee waren geschroefd. Daarmee verzorgde hij vooral bodediensten. Uit onderzoek via MyHeritage verkreeg ik archiefstukken van burgerlijke stand en bevolkingsregister waaruit ik leerde dat niet alleen mijn vader maar ook mijn opa en mijn overgroot opa vrachtrijder waren. Zij woonden allemaal rond- en opereerden vanuit Wognum en ik neem aan dat hun klanten trouw bleven aan vrachtrijder Dekker of dat nu Klaas, Bruno of Jan was. Hoeveel gezinnen kunnen in zo’n betrekkelijk klein areaal van voornamelijk bodediensten leven? In 1911 werd in Hoorn een Bond opgericht – de Westfriesche Bond van Vrachtlieden ‘Gemeenschappelijk Belang’ – die de belangen van leden vertegenwoordigde, maar ook van belanghebbende middenstanders. Er waren dus voldoende leden die het de moeite van het oprichten van een heuse Bond waard maakte. Zouden opa Bruno en pa ook lid zijn geweest? Is het dus niet meer aannemelijk dat mijn vader de klantenkring van zijn vader overnam? Ik neem aan van wel.

In de voorgeschiedenis van de Bond schrijft Ir. Bert C. Mantel  In vroeger jaren vormden zij in West-Friesland het belangrijkste contact tussen de neringdoenden in de stad —in dit geval Hoorn —en de inwoners van de omliggende dorpen.’ En verder ‘…rond de eeuwwisseling (1800-1900) werd het vrachtvervoer verzorgd met wagens die werden getrokken door een hond, ezel of paard. De wagens waren meestal voorzien van een opbouw met de nodige reclame. Als vergoeding voor het daarmee rondrijden stelden leveranciers veelal een vergoeding in natura ter beschikking.’ En ‘In het begin van deze eeuw werd Hoorn bezocht door circa 120 diensten Sommige kwamen dagelijks, andere twee of driemaal per week.’ Cafés in Hoorn, Enkhuizen en Alkmaar deden dienst als verzamelplaats waar bestellingen werden opgehaald of ter doorzending afgegeven.

Vader Dekker hield het vol tot ongeveer 1950. Ik herinner me de stal met de smalle toegang van waaruit ik, in de warmte van de ondergaande zon, lang naar het grote paard kon kijken die afwisselend hooi kauwend en water slurpend, zijn staart liet zwiepen om een wolk irritante vliegen van zijn lijf te verjagen. Ik zal toen ruim drie jaar zijn geweest. Mijn vader moest toen het inkomen verdienen voor een gezin met elf, misschien al twaalf kinderen, terwijl de inkomsten uit zijn transportwerk slonken doordat de bewoners van de dorpen rond de steden mobieler werden waardoor steeds minder bodediensten werden gevraagd. Of hij nog enige vergoeding in ruil voor zijn slinkende klantenkring heeft kunnen lospeuteren bij het ene of andere vervoerbedrijf blijft voor altijd onder de vracht van de voorbije jaren verborgen. Inmiddels hebben bedrijven als Piet Schuit en Simon Loos al die kleine ploeteraars met hun paarden en karren opgeslokt. Onze wagenberging en de paardenstal werd nog gedurende een tiental jaren voor een nacht of enkele dagen verhuurd aan voerlui die Wadway na gedane arbeid passeerden, en het grasveld dat nodig was voor het paard spitte pa grondig om voor groenten en aardappelen ten behoeve van zijn nog steeds groeiende schare kinderen.

 

Vier Jannen

Het basisabonnement op MyHeritage liep na een jaar af. Mede omdat ik de maximale omvang van dit abonnement had bereikt (250 personen) dacht ik zonder hulp nog wel het een en ander aan te kunnen vullen, bovendien kwamen andere zaken op mijn pad en niet allemaal even leuk kan ik melden, zoals spierreuma en een herniaoperatie. Ten slotte kriebelde het weer, ook omdat aan de hoofd-stamboomtak van mijn moeder nog weinig zijtakken groeiden, vooral ten opzichte van de hoofdtak van mijn vader die reikte tot mij vermoedelijk in 1700 geboren oudgrootvader Arie Japichszoon Dekker ‘Dol’. Op 7 maart 2021 heb ik mij opnieuw voor een jaar geabonneerd. Ditmaal op de Premium-versie die recht geeft op een omvang van 2500 personen. Vanaf de start van dit tweede abonnement concentreer ik me vooral op mijn voorouders, vooralsnog niet of veel minder op hun kinderen en andere verwanten. Ik vond opnieuw leuke en minder leuke nieuwe feiten, zoals voorvaders die molenaar waren én in een watermolen woonden. Chirurgijns, slagers, vissers, een hoofdonderwijzer en een grootrondbezitter annex burgemeester. Zussen die enkele generaties later dezelfde nakomeling deelden, een voorvader die vijf keer opnieuw in het huwelijksbootje stapte, enzovoort. Meest hebben mijn voorouders Westfriese wortels maar er stamden ook uit Groningen, Overijssel en Limburg, en voorouders die vanuit Frankrijk via België, Breda en Amsterdam naar Westfriesland kwamen.

Al na enkele weken vond ik aanvullende informatie over een mij reeds bekende oudbetovergrootvader Jan Janszoon van den Eijkel (1717 – 1788) en zijn zoon Jan. In bijna één sessie ontdekte ik zijn vader, eveneens een Jan Janszoon, grootvader Jan Klaaszoon, overgrootvader Claes Janszoon en zijn betovergrootvader Jan van den Eijkel. Dat zijn veel Jannen, zelfs vier Jannen achter elkaar. In mijn stamboom begint en eindigt deze genealogische lijn via mijn moeder, vooralsnog met deze nieuw ontdekte voorvader, mijn stambetovergrootvader Jan van den Eijkel. Van hem is slechts bekend dat hij voor 1610 geboren is in Rotterdam en dat hij in 1640 getrouwd is met ene Jenneke Claesdochter. Hun zoon, mijn stamovergrootvader Claes Janszoon van den Eijkel, is op 27 maart 1642 in Rotterdam geboren. Zijn zoon, Jan Klaaszoon, wiens moeder vooralsnog verborgen blijft, is net als zijn vader in Rotterdam geboren, rond 1660. Eveneens onduidelijk is of Claes Janszoon meer kinderen met deze onbekende vrouw kreeg. Mijn stamgrootvader Jan Klaaszoon van den Eijkel trouwde op 28 november 1678 in Rotterdam, met de in Vianen geboren Margarethe Bolthorn. Zij brachten voor zover bekend, drie zonen voort, alle drie geboren in Rotterdam, waaronder mijn stamvader Jan Janszoon van den Eijkel, de vader van de eerder genoemde oudbetovergrootvader.

 

Bizarre ongevallen

Als je genoeg materiaal vindt waarmee je iets dieper in de levens van je voorouders kunt graven voel  je het verleden. Over de meeste voorouders kom ik echter niet meer te weten dan hun geboorte-, huwelijk- en sterfdatum, hun echtgenoten, broers en zussen en kinderen. Hoe dieper je in de geschiedenis van je familie afdaalt hoe kleiner de hoeveelheid informatie. Soms blijft het beperkt tot een naam en als je geluk hebt het geboortejaar of het jaar van overlijden. Over deze Jan Janszoon van den Eijkel, mijn stamvader, de negende generatie geteld vanaf mijn persoon, verkreeg ik verrassend veel inlichtingen. Hij werd op 7 juli 1680 geboren in Rotterdam en overleed op 28 mei 1754 in Noordwijk (Zuid-Holland). Hij was gedurende zeven jaren in dienst bij de VOC voordat hij ‘zijn boot’ verruilde voor het huwelijksbootje. Wellicht kreeg hij van zijn kapitein, in de weken voor zijn vertrek naar de Oost, verlof om in de haven van Katwijk te passagieren en werd hij daar verliefd op een meisje uit het nabije Noordwijk. Stijntie was haar naam, geboren op 27 februari 1689 in Noordwijk en de dochter van Korstiaan Willemszoon van der Boom en Stijntje Jacobsdochter Vergeer. Stijntje zal haar dochter op het hart hebben gedrukt ‘Denk eraan, meisje, als jij die jongen zo graag ziet zorg dan dat hij aan de wal blijft, anders heb je immers geen toekomst!’

Meer waarschijnlijk is dat zij elkaar pas zeven jaar later hebben ontmoet nadat zijn thuisreisschip in de haven van Rotterdam is afgemeerd. Zij heeft hoe dan ook mijn stamvader, die danig ernstig verliefd moet zijn geweest, zover gekregen dat hij toegaf aan haar wens om zijn zeeleven te verruilen voor een landleven. Het paar trouwde op 4 november 1708 in Noordwijk. Zij kregen zes kinderen Margrietje op 1 augustus 1709 en mijn oudbetovergrootvader Jan Janszoon vormde op 2 juli 1717 de hekkensluiter. Al eerder op 23 april 1713, na drie meisjes, kregen zij een zoontje die zij Jan noemden. Dit zoontje was nog geen vier jaar oud toen hij overleed. Zijn sterven viel gelijk met de geboorte van zijn broertje Jan Janszoon. Mijn voorouders werden vaak geconfronteerd met de sterfte van een of meer jonge kinderen. Bij de geboorte van een baby hielden ze als het ware al rekening met voortijdige sterfte. Dit gebeurde zo frequent in de jaren voorafgaande aan de afgelopen eeuw dat sommige ouders hun kindje pas na enkele weken een naam gaven. Het was dus niet vreemd dat een volgend kindje de naam van zijn of haar overleden broertje of zusje kreeg. Die ‘gewoonte’ duurde  tot in de dagen van mijn grootouders. Het opmerkelijke zit in dezelfde datum van overlijden en geboorte. Eerst denk je dan ook, dat kan niet, ik geloof niet dat dit werkelijk heeft plaatsgevonden. Toen ben ik maar eens op zoek gegaan naar registers waaruit ik meer bewijs zou kunnen verkrijgen.

Ik vond voor beide jongens direct en primair bewijs via gedigitaliseerde registers van Erfgoed Leiden en Omstreken. Bron: doop-, trouw- en begraafregister, waaruit ik van beide Jannen hun geboortedatum en de namen van de ouders vond – in het register Noordwijk-Binnen, NG Dopen 1621-1811. In de overlijdensregisters vond ik alleen een vermelding van één Jan van den Eijkel. Dit betrof de zoon van mijn oudbetovergrootvader, en is gedateerd op 11 december 1805, met als woonplaats ziekenhuis. In FamilySearch Stamboom vond ik (direct en primair) bewijs in zake kleine Jan: Overlijden juli 1717 in Noordwijk Zuid-Holland. En in GenealogieOnline stambomen index: Overlijden 2 juli 1717. Over Jan Janszoon vind ik in GenealogieOnline stambomen betreffende zijn overlijden: 7 oktober 1788 – Noordwijk (ZH); … Nederlands. begraven pro deo 7 oktober 1788, Noordwijk Zuid-Holland. Uit mijn onderzoek blijkt dat er (nog) geen onomstotelijk bewijs is te vinden dat hun eerste zoontje inderdaad op 2 juli is overleden. Toch neem ik dat voor mijn stamboomonderzoek voorlopig aan.

Zelfs in de tijd waarin het veelvuldig voorkwam dat kinderen op zeer jeugdige leeftijd stierven, moet het voor Stijntie en Jan Janszoon sowieso een drama zijn geweest om een kindje van bijna vier jaar te moeten verliezen. Jantje was immers geen baby meer. Hij had inmiddels een leeftijd waarop zijn ouders mochten vertrouwen dat hij zijn kindertijd al zou hebben overleefd! Er kan natuurlijk van alles zijn misgegaan. De zorg voor moeder en kind was nog lang niet op het peil als in onze dagen en er bestond voor veel kinderziekten geen remedie. Maar op dezelfde dag afscheid moeten nemen van een kind en het leven aan een nieuw kindje geven, dat moet voor hen bizar zijn geweest. En zo ook voor hun omgeving: Moeten we hen condoleren of feliciteren?

Ik heb zo’n situatie een keer van nabij ervaren, gelukkig bleef het bij die ene keer! Het overkwam mijn jongste zus Gerda. Voor haar sloeg het noodlot toe op zondag 17 juni 1979, het was Vaderdag en het jonge gezin zat na een bezoek aan haar schoonouders in de auto op weg naar huis. Een auto met daarin twee waardeloze zatlappen, in die zin dat het waardeloos is om dronken achter het stuur te gaan zitten. Zij kwamen hen zwabberend en slingerend op hoge snelheid tegemoet.

Gerda’s man schreeuwde nog iets als ‘klootzakken…’ maar kon op de smalle eenbaansweg dit gevaar niet meer tijdig ontwijken zodat de auto’s frontaal op elkaar botsten. Gerda was hoogzwanger. De bijna voldragen baby in haar buik heeft haar waarschijnlijk gered doordat het fungeerde als een van de tegenwoordig verplicht ingebouwde airbags. Haar man en hun dochtertje Saskia, op twee maanden na drie jaar oud, waren op slag dood. Mijn zus was zwaargewond en moest uitgezaagd worden en per ambulance naar het ziekenhuis. Een van de zatlappen overleefde de crash. Diep in de nacht en zwaar onder de pijnstillende medicijnen beviel Gerda van haar dochtertje Susan.

Om deze schaduw over de geboortedag van haar dochter zoveel mogelijk te beperken is die vastgesteld op 18 juni 1979. Ik zie haar nog in haar ziekenhuisbed in de kamer die wij met lood in de schoenen betraden, zwaar gekneusd en een afgetobd gezicht door alle doorstane emoties van de voorgaande uren. Boven haar bed zowel beterschapskaarten als felicitatiekaarten met de geboorte van de nieuwe baby. De pijn dat zij Saskia niet meer heeft mogen zien en de blijdschap over de geboorte van Susan streden alom om de voorrang. Ach, zusje toch!

 

Historische gegevens vertellen niets over een eventueel ongeluk dat de kleine Jan van den Eijkel in 1717 mogelijk zou zijn overkomen. Ook vind ik rond de betreffende datum niets over eventuele besmettelijke ziektes of virussen, zoals het Covid-19 virus dat in onze dagen een pandemie veroorzaakt en waarschijnlijk nooit meer zal verdwijnen. In 1712 was de pest opnieuw uitgebroken in Utrecht. Ziekte specifieke kaarten werden pas ontwikkeld vanaf 1857 (Tijdschrift voor Geneeskunde). Er heerste veel armoede onder de bevolking dat zal in die tijd een grote rol hebben gespeeld. Steve Hawking merkte terecht op: ‘Wetenschap kan mensen uit armoede opheffen en ziekte genezen. Dat zal op zijn beurt de burgerlijke onrust verminderen.’

Wat is er dus met Jantje gebeurt? Is hij aangereden door een van de vele door een paard, ezel of hond getrokken karren die in die dagen rondreden? Was hij vanwege de aanstaande bevalling samen met zijn zusjes uit logeren en werd hij meegenomen naar het strand vanwaar hij, in een onbewaakt ogenblik, de zee in is gelopen en jammerlijk verdronken? Het waardoor of waarom, we weten het niet.

 

Jongmatroos

Onze stamvader Jan Janszoon van den Eijkel werd op eenentwintigjarige leeftijd zeeman. Hij kwam in dienst bij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), ’s werelds grootste handelsorganisatie, opgericht in 1602 onder de naam Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie.

Jan Janszoon werd opgeleid tot jongmatroos. Uit door mij verkregen historische gegevens kan ik opmaken dat mijn stamvader, gedurende de zeven jaren die hij bij de VOC diende slechts één zeereis heeft gemaakt.

De heenvaart werd door de Kamer van Enkhuizen onder inventarisnummer 14642, folio 83 geadministreerd. Het schip waarop hij zijn vaderland op 21 december 1701 verliet is de Venhuizen, of Venhuysen onder commando van kapitein Dirk de Reus. Het betrof een schip van het model fluitschip. Wikipedia: Een fluitschip of fluit (fluytschip, fluyt) is een lang type zeilschip met drie masten, een platte bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.’

De Venhuysen is in 1697 gebouwd, in opdracht van de Kamer van Enkhuizen op de VOC-werf in Enkhuizen. Het is in Batavia verkocht op 11 oktober 1712. Het schip werd extra verstevigd omdat het de tropische zeeën zou bevaren waar hitte de sterk gebogen planken van de romp kon doen barsten. Het schip had een lengte van 130 voet (bijna veertig meter) en kon worden beladen met een vracht van 125 last (250 ton). Aan de boeg bevond zich een kleine uitbouw of galjoen. De Kamer van Enkhuizen was een van de zes kamers (een ondernemingsvorm) van de VOC. De andere kamers waren die van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Delft en Middelburg. Bij de oprichting in 1602 kreeg de VOC in Enkhuizen de beschikking over de Engelse Toren aan de Oosterhaven, bij de Blauwpoortsbrug. In de tijd van Jan Janszoon was de kamer verhuisd (1628 – 1816) naar een pand aan de Wierdijk, dit ‘nieuwe’ pand ging uiteindelijk door brand verloren.

 

Ik probeer mij te verplaatsen in de Rotterdammer, de jonge Van den Eijkel. Ik zie hem als het ware,  met de hulp van vader Jan en broer Willem, met zijn bagage in de vorm van een grote en onhandige zware scheepskist sjouwen, die in de dagen daarvoor zorgvuldig door moeder Margaretha werd ingepakt. Zijn ouders zullen al wel tranen hebben gelaten toen hun oudste hen informeerde over zijn aanmonsteringsplannen. Nu het zover is en hun kind zo’n verre en gevaarlijke reis gaat ondernemen hebben zij het moeilijk: ‘Misschien zien we hem nooit meer, Jan!’

‘Ach moeder, we moeten er maar het beste van hopen.’

Zeker is dat zij hem vele jaren niet meer zullen zien en zelfs onzeker of zij hem ooit nog in hun armen zouden kunnen sluiten. Dat was wel iets anders dan toen wij afscheid moesten nemen van onze jongste zoon. Jesse ging met zijn vriend Pieter, een wereldreis van één jaar maken. Eerst naar Indonesië, van daar naar Australië en vervolgens naar Nieuw-Zeeland. Ons kind reisde met een veel veiliger vervoermiddel dan zijn verre voorouder. De kans dat Jan Janszoon die gevaarlijke zeereis niet zou overleven was vele malen groter dan dat het vliegtuig van Jesse en Pieter zou kunnen crashen. Bovendien verbrak Jan Janszoon door zijn vertrek zo ongeveer alle contacten met zijn familie terwijl Jesse regelmatig met ons kon telefoneren en ons brieven of kaarten kon sturen zodat wij zijn wel en wee konden volgen. Niet dat hij daarvan veelvuldig gebruik maakte, het kón! Jan Janszoon heeft via een beurtschip wellicht af en toe een berichtje naar zijn ouders kunnen sturen of een levensteken van thuis ontvangen, maar dergelijke tijdingen waren vaak langer dan anderhalf jaar onderweg!

Moeder heeft hem voor het ouderlijk huis al uitgebreid geknuffeld, van goede raad voorzien, hem in het oor gefluisterd dat zij iets lekker voor hem heeft ingepakt en afscheid genomen. Nu zeulen de broers en hun vader met de onhandige zeemansbepakking over de nog meest onverharde Dam, de latere Hoogstraat, waar kroegen hun eerste vroege gasten ontvangen. Regelmatig wordt het groepje door een bekende aangeroepen. Rotterdam is in die dagen eigenlijk nog niet veel meer dan een flink uit de kluiten gewassen dorp waar iedereen elkaar kent, met uitzondering van de vreemde sujetten die met de schepen meegekomen zijn. ‘Vaarwel, vaarwel’ klinkt over en weer, ‘het ga je goed!’

In de zeventiende eeuw werden rond het riviertje de Rotte maar liefst vijf havens aangelegd. Door de oprichting van de VOC namen de handel en de scheepvaart snel toe. Misschien lag het goede schip Venhuyse in de Leuvehaven gereed. Deze haven, Rotterdams oudste haven had sinds 1600 een open verbinding met de Maas. Vanuit hier voer de Venhuyse naar de rede van Texel waar nog goederen moesten ingenomen. Wikipedia over de rede van Texel: Van de vijftiende tot begin negentiende eeuw was zij van belang voor de scheepvaart vanuit het gehele Zuiderzeegebied. Op de rede wachtten schepen op een gunstige wind om uit te zeilen, of namen zij bijvoorbeeld proviand en water in. Ook functioneerde de rede als overslagplaats voor schepen die beladen een te grote diepgang hadden voor de ondiepten van de Zuiderzee. De bloeitijd van de Rede van Texel lag globaal tussen 1500 en 1800. In de negentiende eeuw kwam een eind aan het gebruik om bij Texel te ankeren.’

Toen alle goederen waren gestouwd heeft Dirk de Reus zijn matrozen opgedragen de trossen los te gooien en de zeilen naar de wind te zetten. Onder een strakblauwe hemel zie ik de spitse voorsteven van het peervormige schip statig richting zee draaien. De zeilen aan de drie maten bollen op in de wind. Nog even en ik zie niets meer dan de ronde achterkant; de verre reis heeft een aanvang genomen. Eerst naar Kaap de Goede Hoop, die door de eerste Europeaan die de kaap ontdekte Cabo das Tormentas, Stormkaap werd genoemd. Op 6 juni 1702 komt het schip aan bij de Kaap waarvandaan het op 25 juni 1702 vertrekt naar Batavia, het tegenwoordige Jakarta op het eiland Java, waar de Venhuysen 5 september 1702 afmeert. Jammer dat niets bekend is over Jan Janszoons werk-, woon- en leefomstandigheden aldaar.

 

Repatriëring

De terugvaart van onze stamvader is vastgelegd door de Kamer van Rotterdam onder reisnummer 61755. Van den Eijkel maakte deze reis op het zogenoemde Spiegelretourschip IJsselmonde. Dit scheepstype dankt haar naam aan de scheepsspiegel, het vlakke gedeelte dat als ware als een spiegel boven de achtersteven hangt. Dit zeilschip is gebouwd voor het vervoer van goederen en personen. Het was uitgerust met drie masten en een sprietmast. De IJsselmonde werd in 1693 voor de Kamer van Rotterdam gebouwd op de VOC-werf Rotterdam. De VOC heeft het gebruikt tot het op 30 oktober 1716 werd opgelegd in Batavia – in VOC-termen onttakelen. Het schip mat 145 voet (44 meter) met een laadvermogen van 832 ton. Bij Wikipedia lees ik over de omstandigheden aan boord: De bemanning bestond voor 60% uit zeelieden, vaak uit verschillende delen van Europa (en maar al te vaak geronseld) en 30% militairen. Verder waren er ambachtslieden, handelaren en passagiers aan boord. Op de heenreis had men gemiddeld 206 mensen aan boord en op de terugreis 109. Dit kwam doordat een groot deel van de bemanning onderweg stierf door ziektes. Het voedsel en drinkwater bedierf vaak en was arm aan vitaminen. Zo ontstond scheurbuik, een groot probleem onder de bemanning. Af en toe stond er vlees op het menu omdat er enkele kippen en varkens werden meegenomen. Vooral voor het lagere deel van de bemanning was het leven aan boord bijzonder zwaar. De hogere rangen hadden nog eigen hutten maar de lagere bemanning sliep in slaapzakken in een slecht geventileerde ruimte voor in het schip.’ Het zou nog tot halverwege de achttiende eeuw duren voordat men erachter kwam dat met het regelmatig eten van ingezouten zuurkool scheurbuik kon worden voorkomen.

Stamvader Jan Janszoon van den Eijkel moest Batavia op 10 november 1707 verlaten omdat hij werd gerepatrieerd. Dat hij door de VOC naar zijn vaderland werd gezonden is waarschijnlijk omdat hij dusdanig ziek of gewond was dat herstel in Oost-Indië niet voor mogelijk werd gehouden. De terugreis werd gemaakt met de IJsselmonde, het schip dat onder bevel stond van kapitein Jan Jongerens. Op 30 januari 1708 bereikte de IJsselmonde Kaap de Goede Hoop. Blijkbaar moest lang op gunstige wind worden gewacht want pas op 23 april 1708 kon kapitein Jongerens de trossen los laten gooien. Op 18 september 1708, tweehonderdtweeënzestig jaar voordat een van zijn vele nazaten in de echt werd verbonden bereikte de IJsselmonde de haven van Rotterdam.

Jan Janszoon kreeg het druk in de dagen na zijn aanlanding. Hij moest wellicht herstellen van de lange zeereis maar misschien ook vanwege ziekte of de gevolgen van een ongeval, terwijl zijn huwelijk al spoedig op 4 november 1708 zou worden voltrokken. Hoe ging dat in het begin van de achttiende eeuw? Zeker is dat alles veel trager verliep dan in onze dagen. Voor een reis naar een andere stad of dorp had je vaak meerdere dagen nodig, dat ging per trekboot, met de postkoets of lopend. Alle afspraken maakte je per brief. Dergelijke berichten waren meerdere dagen of zelfs weken onderweg. Hoe vond hij werk en in welk beroep? Er moest kennis gemaakt met zijn aanstaande schoonfamilie, een betaalbare woning worden gevonden en huisraad aangeschaft. Het bruiloftsfeest moest geregeld, wie nodigen we uit? Met zijn gezin namen zijn zorgen snel in omvang toe. Hij was achtentwintig toen hij trouwde, negenentwintig toen zijn dochter Margrietje werd geboren, dertig toen hij vader werd van Stijntje, zijn tweede dochter en eenendertig toen Willemijntje werd geboren. In zijn tweeëndertigste levensjaar kondigde zoon Jan zich aan en bijna drie jaar later, op zijn vierendertigste kreeg hij een vierde dochter, Adriana. Toe kwam dat zware jaar 1717. Jan Janszoon was zesendertig toen Jantje overleed en zijn zoon Jan Janszoon werd geboren. Op zijn tweeënzestigste trouwde deze laatste zoon, mijn oudbetovergrootvader, op 5 maart 1743 met Jannetje Dirksdochter Glasbergen.

Stamvader en oud matroos Jan Janszoon van den Eijkel overleed op zijn drieënzeventigste, op 28 mei 1754. Eenentwintig jaar later, op 5 november 1775, overleed zijn weduwe Stijntie van der Boom op de respectabele leeftijd van zesentachtig jaar.

 

Tot slot nog een leuk weetje: op het moment dat ik dit schrijven afsluit, 12 mei 2021, heb ik 428 voorouders gevonden. Via mijn moeder rijkt een van onze stamboomtakken over een afstand van bijna vijfeneenhalve eeuw, tot 1480, het jaar waarin mijn stamoudovergrootvader Cornelis van Moerkerkcen is geboren.

 

 

 

Beuningen, mei 2021

Simon Dekker

zaterdag 15 mei 2021

 Beertje kon niet op bezoek.

 (voor mijn kleinkinderen)


Beertje kon niet op bezoek.

Niet naar school,

Niet naar zijn Beren vriendinnetje

Ja, zelfs niet naar de Beren Speeltuin.

 

Beertje kon ook niet naar oma Bruintje

Of naar opa Basje.

 

Hij moest thuis-blijven.

Bij Pappa Beer en Mamma Beer

En bij zusje Beer, natuurlijk!

 

Beertje verveelde zich.

Maar toen, hoera!

Hoera!’

 

Beertje mocht spelen.

Een huis bouwen.

Een boom tekenen

Of blaadjes vouwen.

 

Dat deed Beertje graag.

Beertje kreeg een groot vel papier.

Eerst tekende Beertje een bal

En kleurde die blauw.

 

Toen tekende Beertje een Boom

Een Bromtol en een Bij.

Die zoemde héél blij.

 

Daardoor kreeg Beertje een idee!

Weet je wat?

‘Ik bouw met blokken

Een brug en dan nog een boot

Van Lego, héél groot.

 

Beertje bouwde ijverig.

Zocht in zijn Lego ton

Naar de goede kleuren

En maakte veel lawaai.

 

Het duurde best lang

Maar toen was Beertje blij

Met zijn boot

En met zijn brug!

Ze waren SUPER GROOT.

 

Toen stapte Beertje in zijn Lego boot

Die wiebelde een beetje

‘Pas op, Beertje, val er niet in’!

 

Pfff, dat ging bijna fout

Gelukkig, mama Beer,

Géén natte broek

 

Beertje stuurt zijn boot.

Midden over het water

En onder de bolle Lego brug.

 

Dat ging heel goed.

Beertje zong zelfs een lied,

Over Opa Bakkebaard.

Die zijn huisje veegde.

Waarmee?

Met een bezem, met een bezem…

 

Zo kwam Beertje in het bos

In het Grote Beren Bos

Daar stonde ELF Bomen

Heel dik en heel groot.

 

Maar wat is dat?

Ziet Beertje dat goed?

Wat zit daar in die hoge boom?

 

Ja hoor, daar op die dikke tak.

Hoog boven de bosgrond

Bijna schuil tussen de bladeren

Daar zit Opa Basje.

 

‘Hé, Opa Basje, ik ben hier!’

Dan zien ze elkaar.

Ze zwaaien en roepen luid:

‘Dáááág Beertje!’

‘Dáááág Opa Basje!’

 

En toen was dit verhaaltje UIT.