zondag 16 mei 2021

 De varensgezel

 

 Waarschijnlijk bedoelde Socrates dat voor hem het idee van de absolute waarheid niet bestond toen hij zei ‘Ik weet dat ik niets weet’. In dat licht maakt iedere lezer gehakt van mijn ingesloten bewering in de volgende zin: Soms komt er een weetje op mijn pad. En dat is wel het laatste van wat ik wil, beweren dat ik alles (al) weet. Het tegendeel is waar: ik weet zo weinig dat elk nieuw feitje – mits prikkelend genoeg dat ik er alles van weten wil – kan worden opgeteld bij de som van mijn kennis. Vooropgesteld dat het lukt om het in mijn meer of minder actieve werkgeheugen op te slaan.

Zo, nu durf ik het aan: Soms komt er een weetje op mijn pad. Een stukje informatie waar je een enkele keer je voordeel mee kunt doen of dat interessant genoeg is om in het laatje ‘kan nog van pas komen’ op te bergen. Waarschijnlijk gaat het meeste van hetgeen mijn oren of ogen bereikt langs me heen, onafhankelijk of ik het eerder al wel of niet hoorde of zag, blijft het meeste ongehoord en ongezien. Gelukkig zijn er genoeg momenten dat iets wel direct binnen komt. Soms in een flits terwijl je met je aandacht vooral bij iets anders bent, bijvoorbeeld bij een boek of een artikel. Ik noem een voorbeeld: een dezer dagen, ik las de krant terwijl op de achtergrond de radio afgestemd op NPO1 speelde, hoorde ik een heldere vrouwenstem in keurig Nederlands zingen, veel beter articulerend dan de meeste hedendaagse zangers en zangeressen. Een fragment van haar lied kwam luid en helder verstaanbaar bij mij binnen: ‘Op de hoek van de straat, staat een NSB’er. ’t Is geen man, ’t is geen vrouw, ’t is een farizeeër. Met een krant in de hand, staat hij daar te venten. Hij verkoopt z’n vaderland, Voor vijf losse centen…’ Het was voor het eerst dat ik dit liedje hoorde, dit snippertje van onze geschiedenis, terwijl de Tweede Wereldoorlog wel altijd mijn belangstelling heeft. Het spotliedje werd in 1942 gezongen door Jetty Pearl en tijdens de bezettingsjaren uitgezonden via radio Oranje.

Het liedfragment van Jenny – wat voor mij een grappig weetje vormde – bleef een paar dagen bij mij haken. Het meeste van wat onverwacht, maar ook verwacht binnenkomt beklijft echter niet en vormt overtollige bagage die je gerust direct in de prullenbak van je geheugen kunt gooien. Mijn lerend vermogen kent grenzen, Je kunt nu eenmaal niet altijd op de toppen van je aandacht leven.

 

Verzamelaar

Voordat ik op de proppen kom met mijn beloofde leuke weetje – overigens een stempel dat meer over mij zegt dan over het betreffende weetje – wil ik eerst vertellen dat ik al sinds mijn kinderjaren verzamelaar ben. Aanvankelijk spaarde ik van alles, vaak samen met mijn één jaar oudere broer Jan. Zoals sinaasappelmerken, lucifersdoosjes en sigarenbandjes. Later kwamen daar ook sigarettendoosjes, postzegels en sponsorspeldjes bij die je op je revers kon dragen. Terugkijkend op die periode vind ik dat niet gek. We waren thuis met heel veel kinderen en het weinige speelgoed dat er was probeerde je aan te vullen met, meest waardeloze spullen die op je pad kwamen. Zo kon een kapotte klomp worden verknutseld tot een bootje of een lege verpakking kon je uitvouwen en bijvoorbeeld gebruiken voor een tekening of een bouwwerkje. Soms viel mijn oog op iets bijzonders zoals dat eerste ragfijne en kleurrijk bedrukte stukje papier dat ik in het keukenafval ontdekte. Het bleek de verpakking van een sinaasappel. Achteraf gezien is het een wonder, dat in die jaren een dergelijke uitheemse vrucht ons ouderlijk huis wist te bereiken. Mede vanwege de schaarse inkomsten waarvan ons gezin met zestien kinderen moest rondkomen. Het was veel te mooi en in mijn ogen, en in die van mijn broer, veel te kostbaar om zomaar weg te gooien. Vooral toen we ontdekten dat er verschillende versies bestonden. In mijn wandelverhaaltje van 29 januari 2019 (https://dekkertje.blogspot.com), waarin ik eventuele uitruilmogelijkheden van politici schetste, schreef ik: Dat deden mijn broer en ik ook, dingen met elkaar uitruilen. Zoals van die zijdezachte velletjes papier waarin zuidvruchten werden verpakt (tegenwoordig plakt men er van die saaie stickertjes op). We waren acht en negen, of misschien negen en tien, toen er thuis, waarschijnlijk voor het eerst in ons leven, sinaasappels verschenen, die bovendien verpakt waren in van die mooie, schitterend bedrukte, stukjes papier (het betrof vast een geschenk van de een of andere tante of oom, want geld voor zulke luxe vruchten hadden onze ouders niet). Zonde om weg te gooien, vonden wij. Dat was het begin van een kortdurende verzamelwoede. En naarmate de tijd verstreek verschenen er duplicaten in onze sinaasappelmerken-verzameling, maar ook gaten. Dus probeerden we daarin evenwicht te vinden door met elkaar te ruilen.

‘Als ik die van jou krijg, mag jij er een van mij uitzoeken.’

‘Nee, voor die daar wil ik er twee van jou, want die van mij is met goud bedrukt!’

‘Oké, maar die daar wil ik niet, daar zitten kreuken in.’

‘Nou, dan strijk ik hem toch glad!’

‘Ja, nou wil ik hem helemaal niet meer, nou heb je er ’n scheur in gemaakt.’

Afijn, zo ongeveer had het er toenmaals aan toe kunnen gaan”. 

Van al die verzamelobjecten waren sigarenringen maar vooral postzegels blijvertjes en werd ik een filatelist in de dop. Nou ja, eigenlijk ben ik daar nooit uitgegroeid, uit die dop bedoel ik. De meeste zegels kreeg ik van familie en buren, afgescheurd van briefkaarten, tijdschriften- en krantenbanderollen en enveloppen. De gebruikte zegels afweken, drogen en in een album opbergen, dat waren op zichzelf al leuke activiteiten. Een enkele keer kon ik mijn verzameling een flinke boost geven door naar Opmeer te fietsen (firma Taconis) of zelfs naar Hoorn, om voor een habbekrats in een speciaalzaak een zak vol gebruikte postzegels te kopen: nog meer afweken, drogen, selecteren en opbergen. Op de lagere school ruilde ik postzegels met klasgenoten en later tijdens speciale bijeenkomsten van de jeugdbeweging in het parochiehuis van de kerk. Toen – ik vermoed in 1958, ik was toen elf jaar – kwam de eerste officiële ruilbeurs voor verzamelaars op mijn weg – niet alleen postzegels, maar ook lucifersmerken, sponsorreversspeldjes, sinaasappelmerken, sigarenbandjes enzovoort. In alle opzichten een feest voor verzamelaars. Tafels vol ruilobjecten.

Het was daar, in het gemeenschapshuis van Hoogwoud, dat ik geconfronteerd werd met het begrip catalogus. Ik had nog nooit zulke geordende lijsten van postzegels gezien. Het feest werd voor mij compleet toen ik zo’n, in mijn ogen juweeltje, in mijn schoot geworpen kreeg. Van een vriendelijke oude man kreeg ik een Catalogus van de postzegels van Nederland en overzeese rijksdelen, uitgegeven door de NVPH (Nederlandse vereniging van postzegelhandelaren). Voor zover ik het mij herinner was het een exemplaar uit 1951. Behoorlijk gehavend doordat het driftig was gebruikt. Uit mijn ruilmateriaal koos het vriendelijke ouwetje drie postzegels, meer wilde hij niet voor zijn sleetse boekwerkje hebben. Maar voor mij was dat beduimelde ding vol kreuken en scheuren, een echte eyeopener. Voor het eerst kreeg ik over- en inzicht van de Nederlandse postzegels van 1852 tot en met 1951 en leerde ik kleine stukjes over de Nederlandse geschiedenis. Zo kon ik uit de catalogus leren welke postzegels ik nog niet in mijn bezit had en dat waren er uiteraard vele malen meer dan die ik wel bezat. Maar belangrijker was dat ik op deze ruilbeurs begrip kreeg over de manieren waarop ik mijn postzegels kon bewaren. Dat deed ik tot dat moment in oude enveloppen, schriftjes en goedkope plakboeken maar vanaf dat moment namen  insteekalbums die belangrijke taak over.

Belediging

Ik groeide op. Vriendschappen, school, werk, verkering en gezin eisten een groot deel van mijn aandacht. Onder meer daardoor schoot het verzamelen er bij in en leden mijn verzamelingen een slapend bestaan. Tot ik in 1978 in Nijmegen naast een buurman ging wonen die een fervent verzamelaar was. Laat ik hem huiselijk Gerard noemen. Hij spaarde naast postzegels ook sigarenbandjes. Timothy, onze oudste was toen een jaar of zeven en was laaiend enthousiast toen hij mee mocht kijken met buurman Gerard. Hij kwam thuis met enkele postfrisse velletjes kinderzegels en een insteekboek. De eerste weken daarna zocht Timothy Gerard een aantal malen op en kwam steevast met nieuwe aanwinsten thuis. Wij voelden ons een beetje bezwaard en bespraken dat met onze buren tijdens een avondbezoekje. Buurman maakte een wegwerpgebaar om duidelijk te maken dat het om niemendalletjes ging. Bij die gelegenheid kwam ook zijn Willem II sigarenbandjesverzameling ter sprake: paddenstoelen, bloemen, vogels, enzovoort. Omdat ik een slapende verzameling sigarenringen bezat kon buurman Gerard veel van zijn missing links opvullen, zodat wij ons een beetje opgelucht voelden over de royale wijze waarmee Gerard onze zoon op weg probeerde te helpen. Uiteraard nam ik die taak van hem over met behulp van mijn eigen verzameling. Maar Timothy had het druk met waar jongetjes van zijn leeftijd nu eenmaal druk kunnen zijn, en schonk na verloop van tijd nauwelijks aandacht aan zijn verzameling. Ik nam die zorg uiteindelijk steeds meer van hem over. Sindsdien ben ik lid van de Nijmeegse Filatelisten Vereniging Noviopost en werd weer een aantal jaren min of meer actief als postzegelverzamelaar. Desondanks ben ik nooit een echte filatelist geworden. Wel bleef ik via Noviopost maandelijks het blad Filatelie ontvangen, lezen en bewaren.

 

In het vierde nummer van Filatelie, jaargang 2021 schrijft Wim Warburg ‘Het verzamelen van poststukken heeft z’n charme. Het gaat niet alleen om poststukken die vanuit postaal oogpunt interessant zijn.’ Daarna volgt een interessant verhaal over een poststuk ‘Monster zonder waarde’ dat in 1865 werd verzonden door de firma Groot uit Andijk naar een handelshuis in Londen – Nanne Janszoon Groot was bij leven koopman in- en teler van tuinzaden, hij stierf op drieëntachtigjarige leeftijd en liet een vrouw, elf kinderen en zesenvijftig kleinkinderen achter. In dat filatelistisch verhaal zat een in mijn ogen grappig feit gesloten waarvan ik nog nooit eerder hoorde. In vroeger jaren speelde plaatsing van de postzegel op het poststuk nauwelijks een rol van betekenis. Iedere postbeambte, in het beste geval gewapend met een officieel datum-ontwaardingsstempel, vond die immers in één oogopslag. Tegenwoordig is het algemeen gebruikelijk dat een postzegel rechtsboven op het poststuk wordt geplakt – dat is namelijk de enige plek waar een sorteermachine van PostNL de zegel kan vinden. ‘Heel lang geleden’, schrijft Wim, waren veel mensen het daar niet altijd mee eens. Hun weerstand werd opgeroepen door postzegels waarop het profiel van de afgebeelde persoon naar links is gericht, zoals op de postzegel met de beeltenis van Koning Willem III – uitgegeven mei 1864 in een oplage van 12.222.000 stuks – waarvan Nanne Janszoon Groot uiteindelijk zes exemplaren op zijn Monster zonder waarde hechtte. Rechtsboven opgeplakt kijkt de afgebeelde persoon als het ware weg van de geadresseerde. Dat vond men halverwege de 19e eeuw een uitgesproken belediging, vooral als de afgebeelde persoon de koning is. Daarom plakte men in die dagen dergelijke postzegel(s) in de linker bovenhoek.

Persoonlijk heb ik nooit gelet op het gegeven dat een en-profil afbeelding op een postzegel links of rechts georiënteerd is. ‘Wegkijken’ tijdens een ontmoeting, vooral als dit bewust wordt gedaan, kan inderdaad als kwetsend worden ervaren, maar dat het zelfs als belediging kan worden opgevat als het een opgeplakte postzegel betreft vind ik een grappig idee. Nog leuker werd het in Wim Warburg’ verhaal toen over zijn ontdekking vertelde, dat alle zes postzegels op het betreffende poststuk uit 1865 bewust in een dusdanige positie zijn geplaatst dat ‘Koning Willem III’ altijd wegkijkt van de naam van de geadresseerde. Namelijk één in de rechterbovenhoek, twee rechtsonder en drie linksonder, maar deze laatsten omgekeerd! Waarom zou de firma Groot dat hebben gedaan? Omdat de firma gebrouilleerd was met de geadresseerde Londense firma John Clark & Sons. Volgens Wim Warburg was dit halverwege de negentiende eeuw niet ongebruikelijk.

 

Millennium

Sinds een aantal jaren heb ik een nieuw verzamelobject gevonden, namelijk het verzamelen van mijn voorouders. Mijn interesse voor deze nieuwe hobby is ontstaan door het NTR televisieprogramma Verborgen Verleden – eerste aflevering 26 september 2010. In elke aflevering gaat een bekende Nederlander op reis om een stukje van haar of zijn stamboom te onderzoeken.

Het begon ermee dat ik met behulp van Excel, onze meest nabije familieleden in een overzicht probeerde samen te brengen. Met support van mijn broer Jan, alweer Jan, het kan niet anders, we hebben absoluut allebei het verzamel-DNA van onze ouders en voorouders meegekregen. Het ging ons niet alleen om de namen van onze grootouders, ouders, ooms en tantes, nichten en neven, broers en zussen, onze kinderen en kindskinderen, maar ook de datums van geboorte, huwelijk en overlijden, voor zover wij dat uit eigen agenda’s en andere gegevensdragers konden achterhalen. Dat leverde al een indrukwekkende hoeveelheid gegevens op en een bevredigend gevoel bovendien.

Toen we alles op een rij hadden konden we ons nog een tijd lang bezighouden met het genereren van leuke weetjes uit de verzamelde familieleden, zoals de gezamenlijke leeftijd van ons, kinderen van het kerngezin. Zo ontdekten we medio 2015 dat we rond 8 november 2016 met ons veertienen – met uitzondering van Nico (09-09-1950 – 28-05-1980) en Ina (01-07-1935 – 02-08-1994) – de mooie leeftijd van één millennium zouden bereiken. We vierden het bereiken van deze mijlpaal bij onze jongste broer Willem en zijn vrouw Anneke in Julianadorp.

Na het overlijden van nog twee zussen, Annie (14-11-1936 – 03-09-2019) en Tiny (25-12-1942 – 22-11-2018) en twee broers, Bruun (15-05-1938 – 03-08-2018 en Rem (26-06-1939 – 15-12-2020), konden we helaas niet zo veel jaren meer bij de reeds bereikte duizend optellen en is het kerngezin van mijn vader en moeder gekrompen tot tien personen.

De Exel-stamboom is een nuttig hulpmiddel gebleken voor de boekhouding van de meest belangrijke gebeurtenissen in onze familie maar bracht ons niet verder dan onze grootouders. Naast een vaag begrip van wie onze overgrootouders zijn, kon ik mijn nieuwsgierigheid naar hun ouders en grootouders niet bevredigen. Terwijl het programma Verborgen verleden zoveel meer betekent voor BN’ers! Die uiteraard stevige hulp van een redactie en onderlegde archivarissen kregen.

Onderzoek via het internet naar mijn voorouders bracht mij op het spoor van het in 2003 opgerichte bedrijf MyHeritage. Dit is een online genealogieplatvorm. Met behulp van een basis abonnement gedurende één jaar bouwde ik vanaf 17 september 2016 aan de digitale Dekkertjes-stamboom. Ik ging er voortvarend mee aan de slag en kon gedurende dat jaar tientallen voorouders in beeld brengen. Tevens ontdekte ik een paar leuke feiten. Zoals die verre voorvader, Cristoffel Nicolauszoon Meulenkamp, de overgrootvader van opa Dekker die vanuit Duitsland West-Friesland bereikte. En het werd nog leuker, want in plaats van landbouwer, arbeider of boerenknecht – de gebruikelijke beroepen waarin de meesten van mijn voorvaderen hun dagelijks brood verdienden – was deze Duitse voorvader kleermaker van beroep. Nu is het zo dat ik gedurende een aantal jaren, ondersteund door een heuse Margriet-opleiding, kleding maakte. Mijn moeder claimde in die tijd dat ik deze handigheid van haar had geërfd. Zij was immers degene die nagenoeg alle kleding voor haar kinderen naaide of breide. Jammer dat ik moe niet over mijn ontdekkingen heb kunnen vertellen: ‘Hé moe, weet u wat? Mijn vaardigheid met de naaimachine kwam niet alleen via jouw genen maar ook langs die van pa!’ Jammer. Het heeft niet zo mogen zijn: mijn moeder is op 28 september 1988 op de relatief veel te jonge leeftijd van vierenzeventigjarig jaar wegens een hersenbloeding overleden (terwijl ik deze laatste zinnen schrijf ben ik al een paar weken ouder dan zij mocht worden!)

Verdriet

Wij Dekkertjes wisten niet beter dan dat opa en opoe Dekker acht kinderen hadden gekregen, precies de helft van het gezin van onze ouders – alom in Westfriesland noemden wij onze grootmoeders opoe, en dat doe ik nog steeds als ik aan mijn grootmoeders denk ook al noemen onze kleinkinderen ons oma en opa. We kenden onze zeven ooms en tantes goed en konden hun namen als het ware vlot reproduceren. Nooit hebben we vermoed dat opoe meer kinderen zou kunnen hebben gekregen. Enkele van de eerste matches met historische records via MyHeritage lieten zien dat mijn vader een zus en een broer heeft gehad die op zeer jeugdige leeftijd gestorven zijn. Er zal derhalve veel verdriet zijn geweest in het gezin van opa en opoe.  Echter over dit zusje en broertje heeft pa nooit gerept. Niet heel vreemd want de keren dat vader Jan ons (mij) iets vertelde, wat dan ook, waren zeldzaam. Het eerste verlies waarmee ik geconfronteerd werd betrof Nico. Maar er is een groot verschil met het verlies van mijn vader: toen mijn broer op negenentwintig jarige leeftijd overleed, was ik tien jaar getrouwd en zelf vader van twee kinderen. Evengoed, ook al was ik voorbereid op zijn dood – hij leefde al een paar jaar met longkanker – was het bericht voor mij schokkend.

Anna, het zusje van mijn vader, is geboren op 29 november 1914 en zij overleed op 12 maart 1915. Pa was zes dagen voor haar dood zeven jaar geworden. Hoe moet dat voor hem zijn geweest? Met haar ruim drie maanden moet Anna al nadrukkelijk aanwezig zijn geweest in het gezin van mijn grootouders. Mijn vader zal haar hebben geknuffeld, en misschien getroost of een flesje gegeven. Kwam hij op die bewuste vrijdag tuis van school en trof hij het gezin in diepe rouw aan? Of was zijn kleine zusje al overleden voordat hij naar school ging? Lag het dode meisje opgebaard in een wieg, een ledikantje of in de bedstee van haar papa en mama? Kwam er in die dagen een begrafenisondernemer aan te pas? Hoe marcheerde het dagelijks leven in dat kleine arbeidershuisje? Zorgde pa tijdens die verdrietige dagen, samen met zus Marietje die op tien dagen na één jaar ouder was dan hij, voor zijn jongere broertje en zijn twee zusjes? Voor opoe en opa Dekker moet het een enorme domper zijn geweest terwijl zij tegelijkertijd de zorg voor nog vijf kinderen hadden. Hoe dan ook, het leven ging verder. Dertien maanden later, op 6 juni 1916 kreeg pa weer een babyzusje. Deze nieuwe Anna mocht wel in leven blijven, hoewel Tante Annie op de nog jeugdige leeftijd van zesenvijftig jaar overleed (zij was moeder van elf kinderen).

Bijna vijf jaar na de dood van hun eerste kindje overkwam mijn grootouders opnieuw zo’n drama: op 31 januari overleed baby Hyronimus. Hij heeft  slechts dertien dagen geleefd. Babysterfte was zeker niet zeldzaam tijdens die eerste jaren van de vorige eeuw. Was dat daarom gemakkelijker te dragen? En hoe kijkt een bijna twaalf jaar oude jongen tegen zo’n drama aan? Misschien logeerde pa gedurende die dagen bij zijn grootmoeder, opoe Geertje Hoogland, zoals ik ook met regelmaat ergens logeerde om bij thuiskomst te ontdekken dat er in het ledikantje op de slaapkamer van pa en moe een nieuw broertje of zusje lag. Na een paar van die logeerpartijen kreeg ik door hoe de vork aan de steel zat maar toen, na mijn jongste broer Willem, kwamen er geen kleine Dekkertjes meer bij.

Op 25 februari 1922, twee jaar na de dood van het babybroertje van mijn vader werd opnieuw een jongetje geboren. Deze ‘nieuwe’ Hyronimus die Roon werd genoemd, had meer geluk hoewel ook hij veel te jong, op 4 augustus 1983, overleed. Hij werd eenenzestig jaar maar overleefde evengoed zijn vrouw die een jaar eerder op zevenenvijftigjarige leeftijd overleed. Zij hebben negen kinderen gekregen. Na hun overlijden bleven er zes kinderen achter. In 1951 verliet Roon als laatste het gezin van opa en opoe Dekker. Hij was toen negentwintig, zijn twee jongere zussen waren al eerder getrouwd – in 1946 en 1948. Inmiddels, waarschijnlijk in 1950, hadden mijn grootouders een deel van een flinke boerderij, veel dichter bij de kerk van Wognum, betrokken zodat het ouderlijk huis vrijkwam voor hun jongste zoon en schoondochter. Opa Dekker stierf kort na de verhuizing, op 25 augustus 1952. Hij is drieënzeventig jaar geworden. Opoe Dekker overleed op 14 augustus 1956. Een paar weken daarvoor is zij nog zelfstandig naar haar zoon en schoondochter gewandeld, niet beseffend dat zij haar huis voorgoed achter zich liet. Tijdens dat bezoek is zij ziek geworden. Die laatste dagen zorgde tante Sjaan voor haar. We hebben in de woonkamer van ome Roon en tante Sjaan afscheid van opoe Dekker genomen.

Nog meer verdriet

Vooral bij ome Roon en tante Jeanette, door iedereen tante Sjaan genoemd, kwam ik vaak over de vloer, frequenter dan bij mijn andere ooms en tantes. Hij was veertien jaar jonger dan mijn vader. Een warme vrolijke man met een door het veelvuldige werk op het land verweerde kop. De vrolijke verhalen waarvan de lachrimpels rond zijn ogen en mond getuigden, veranderden na verloop van jaren in trieste, hartverscheurende verhalen.

Ome Roon was tuinder in hart en nieren. Hij teelde onder andere anemonen, tulpen en gladiolen, maar ook aardappelen, wortels, uien en bonen. In de zomer van 1954, toen de anemonen bloeiden, kon ome Roon iemand met kleine en gevoelige handen zoals die van mij goed gebruiken. Ik was zeven toen ik mocht helpen met het oogsten van anemonenwol. Wat ook voor mij sprak was, dat ik nog relatief kort van lengte was. Voortdurend diep bukken was voor mijn oom veel lastiger dan voor mij! Hij liet mij precies zien hoe ik van een afstandje kon zien welke zaadbollen oogstrijp waren en hoe ik die het best van de ‘vruchtblaas’ af kon schuiven, en zorgvuldig in een diepe katoenen zak stoppen, die wel wat weg had van de collectezak waarmee de koster in de kerk rondging. Er mocht niets van het uiterst fijne en kostbare zaad verloren gaan! Ik deed het niet voor de dubbeltjes die ik met dit werkje verdiende, die moest ik overigens toch afstaan aan mijn moeder. Ik was gewoon graag met ome Roon op het land. Ik genoot van zijn aandacht en ik vond het heerlijk als hij mij complimentjes gaf. Vooral bij zonnig weer rende ik na school snel naar zijn land omdat ik wist dat er weer een heleboel zaadbolletjes rijp zouden zijn. En dan begroette hij mij vaak met een stem vol giecheltjes: ‘Ha, ben je d’r weer m’n joôn!’

Nog zie ik mijn oom ongerust de hemel afspeuren als er wind dreigde waardoor een deel van de oogst zomaar weg zou kunnen waaien: ‘Snel Siem, ik helpe je effies dan benne we klaar voor de wind ‘r is!’

Totdat ik in Hoorn naar de technische school ging werkte ik geregeld met ome Roon op zijn land. Niet alleen met de anemonen. Ook tulpenbollen poten, aardappelen rooien, wieden, slabonen plukken, enzovoort. Vaak vertrouwelijk dicht naast elkaar zodat ik zijn adem door zijn neus hoorde suizelen. Ik herinner me warme momenten in de drukke, kleine woonkeuken waar we ons tijdens ‘konkeltoid’ bij de kachel warmden met een dampende kop koffie en een ‘konkelstik’, twee dik beboterde plakken roggebrood ruim belegd met oude kaas. Onderwijl vermaakte mijn neefje Bruno zichzelf in de box terwijl zijn twee oudere zusjes, Annie en Klazien vrolijk rond de keukentafel huppelden. Baby Mary kondigde vanuit de wieg aan dat zij honger had. Ondertussen redderde tante Sjaan opgewekt wat er te redderen viel en liet de radio nieuwsberichten horen – met het uitgebreide weerbericht en afsluitend de waterstanden: ‘Ssst, effies stil nou!’

Het tuinbouwbedrijf groeide gestadig. Een enkele maal ontstond er veel spektakel als een van de kleintjes in de smalle sloot langs het erf viel. Twee van hen werden door mij ‘gered’.

Ik herinner mij een voorval waar ik geen helderheid over kan krijgen. Het betreft een bijzondere boodschap die ik op verzoek van tante Sjaan heb gedaan. Tante wist dat ik regelmatig bij haar broer Jaap Schilder kwam omdat hij met ons, jongeren van de Katholieke Jeugdbeweging Spanbroek, het jaarlijkse toneelstuk instudeerde. Jaap woonde in een bijna nieuw hoekhuis aan de andere kant van Spanbroek en was in het bezit van een grote Sint Bernardshond. Op een van de dagen dat ik op weg van Hoorn naar huis bij oom en tante aanging – ik zal vijftien of zestien zijn geweest en wist dat er in het gezin een kind ernstig ziek was. Tante was in de bollenschuur toen ik haar daarnaar vroeg. In mijn herinnering ging het om Lou’tje en kon hij niet meer beter worden of was zelfs diezelfde dag overleden. Tante wilde dat ik dit aan haar broer zou vertellen. Ik zag daar erg tegenop, daarom ben ik maar direct doorgefietst. Hoe dichter ik het huis van Schilder naderde hoe zenuwachtiger ik werd. Op mijn bellen deed de vrouw van Jaap open en werd ik begraven onder minstens zestig kilo hond. Toen het wat rustiger werd en wilde vertellen waarvoor ik kwam, kon ik nauwelijks uit mijn woorden komen. In mijn herinnering moest ik aan een stuk door lachen. Een zenuwlach natuurlijk. Het zal op zich wel goed gekomen zijn, met dat bericht, maar dat het inderdaad Lou betrof daarover twijfel ik nu. Hoewel het natuurlijk kan zijn dat mijn neefje in die dagen ernstig ziek is geweest, moet het over een van de andere kindjes zijn gegaan. Feit is dat Lou Dekker nog leeft, voor zover ik weet. Wel staat vast dat in de betreffende periode Adela is geboren, op 26 september 1962. Ik was toen ruim vijftien en een half jaar. Adela overleed op 6 februari 1964. Een paar maanden voor haar dood ben ik bij het schilderbedrijf van Jaap Lanjouw in Medemblik aan het werk gegaan. Uit dit alles blijkt dat het voorval tijdens de laatste maanden van mijn schildersopleiding plaats heeft gevonden, en dat Adele het zieke kindje was dat maar niet beter kon worden. Hoe dan ook, een peutertje van zestien maanden verliezen is zwaar en moet een enorme schok in het gezin hebben veroorzaakt. Helaas was het voor hen daarmee nog niet gedaan.

Toen het gezin van ome Roon en tante Sjaan groeide en er ook voor het bedrijf meer ruimte nodig was, werd het huis uitgebouwd en verscheen er een grote open bollenschuur achter het huis. Nog weer later werd de kleine arbeiderswoning, het ouderlijk huis van mijn vader, gesloopt en verscheen er een nieuw, ruim woonhuis waarin het gezin nog enkele jaren vrijer heeft kunnen wonen. Ten slotte hebben ome Roon en tante Sjaan huis, erf en bollenschuur verkocht om honderd meter verder, aan de overkant van de straat een nieuw huis en bedrijfsgebouw te betrekken. Dagelijks fietste ik langs op weg naar school en weer naar huis en zag de verbouwing vorderen. Af en toe ging ik bij hen aan de vorderingen te zien en nieuwtjes op te pikken. Ik zie tante Sjaan in de splinternieuwe, halfopen bloembollendroogschuur staan waar zij dankbaar gebruik maakte vooer het drogen van haar natte was. Dat ging echt erg snel, vertelde zij mij. Vanaf het moment dat ik naar Nijmegen verhuisde hoorde ik nog maar sporadisch iets over het wel en wee van deze familie. Ook het nieuwe huis en de nieuwe bedrijfsruimte stonden er voor mijn gevoel plotseling toen ik vanuit Nijmegen via de Tramweg naar Wadway reed. Riky en ik hebben hen daar nog enkele keren bezocht, onder meer om hen uit te nodigen voor onze bruiloft.

Op Driekoningen 1978, de dag na mijn verjaardag, stierf Ron Dekker nadat hij op een fietspad was aangereden door een automobilist. Ron was nog maar zestien jaar. We kregen dat droevige nieuws pas een aantal weken nadien, toen we een bezoek aan mijn ouders brachten. En alsof dat niet genoeg was bleef het ongeluk hen achtervolgen. Opnieuw duurde het wéken voordat het bericht over een tweede dramatische aanrijding ons bereikte. Anderhalf jaar na Ron werd mijn negentienjarige nichtje Jeanet aangereden door een automobilist die waarschijnlijk teveel alcohol gedronken had. Ook zij fietste op een vrij liggend fietspad. Zoals gezegd werden mijn oom en tante niet oud. Het kan niet anders of het verwerken van zoveel verdriet, zoveel stress en rouw, moet hun gezondheid ernstig hebben ondermijnd.

 

 Vrachtrijders

Onze zich steeds verder ontwikkelende stamboom gaf onverwacht ook antwoord op een vermoeden waarmee ik al een poosje langer rondliep. Zo schreven wij kinderen, voornamelijk mijn broer Jan en ik, rond 2010 een bondige kroniek over onze familie, welke opgenomen is in twee opvolgende jaarboeken van Stichting Historisch Spanbroek-Opmeer. Daarin laten we onze geschiedenis beginnen in 1934 op de datum van het huwelijk van onze ouders. We schreven: ‘Zij gingen wonen in de buurtschap Wadway, Laantje A2 (nu Spanbroekerweg 241) te Spanbroek waar zij voor een bedrag van 1500 gulden een klein vrachtrijdersbedoeninkje overnamen van vrachtrijder Jan Groot.’ Nadien vroeg ik mij af of dat wel zo was. Of pa ook het vrachtrijdersbedrijf had overgenomen? Of de ‘overname’ niet beperkt was tot de aankoop van het huis met aanbehoren? In de koopacte, gedagtekend 16 januari 1934, wordt uitsluitend vermeld: Een huis met erf en boomgaard, aan de Laan te Wadway, ...’ Bovendien is bekend dat Jan Groot Janszoon als vrachtrijder naar elders vertrok.

In de jaren voor het gemotoriseerde verkeer bestond het vermogen van een transportbedrijf voornamelijk uit de klantenkring. Daarnaast had je iets nodig om vracht mee te vervoeren. Er waren er die een hondenkar gebruikten of een door een ezel getrokken kar. Pa beschikte over een paard en wagen, zo een met een opbouw waarop reclameborden voor onder meer Van Nelles Koffie en Thee waren geschroefd. Daarmee verzorgde hij vooral bodediensten. Uit onderzoek via MyHeritage verkreeg ik archiefstukken van burgerlijke stand en bevolkingsregister waaruit ik leerde dat niet alleen mijn vader maar ook mijn opa en mijn overgroot opa vrachtrijder waren. Zij woonden allemaal rond- en opereerden vanuit Wognum en ik neem aan dat hun klanten trouw bleven aan vrachtrijder Dekker of dat nu Klaas, Bruno of Jan was. Hoeveel gezinnen kunnen in zo’n betrekkelijk klein areaal van voornamelijk bodediensten leven? In 1911 werd in Hoorn een Bond opgericht – de Westfriesche Bond van Vrachtlieden ‘Gemeenschappelijk Belang’ – die de belangen van leden vertegenwoordigde, maar ook van belanghebbende middenstanders. Er waren dus voldoende leden die het de moeite van het oprichten van een heuse Bond waard maakte. Zouden opa Bruno en pa ook lid zijn geweest? Is het dus niet meer aannemelijk dat mijn vader de klantenkring van zijn vader overnam? Ik neem aan van wel.

In de voorgeschiedenis van de Bond schrijft Ir. Bert C. Mantel  In vroeger jaren vormden zij in West-Friesland het belangrijkste contact tussen de neringdoenden in de stad —in dit geval Hoorn —en de inwoners van de omliggende dorpen.’ En verder ‘…rond de eeuwwisseling (1800-1900) werd het vrachtvervoer verzorgd met wagens die werden getrokken door een hond, ezel of paard. De wagens waren meestal voorzien van een opbouw met de nodige reclame. Als vergoeding voor het daarmee rondrijden stelden leveranciers veelal een vergoeding in natura ter beschikking.’ En ‘In het begin van deze eeuw werd Hoorn bezocht door circa 120 diensten Sommige kwamen dagelijks, andere twee of driemaal per week.’ Cafés in Hoorn, Enkhuizen en Alkmaar deden dienst als verzamelplaats waar bestellingen werden opgehaald of ter doorzending afgegeven.

Vader Dekker hield het vol tot ongeveer 1950. Ik herinner me de stal met de smalle toegang van waaruit ik, in de warmte van de ondergaande zon, lang naar het grote paard kon kijken die afwisselend hooi kauwend en water slurpend, zijn staart liet zwiepen om een wolk irritante vliegen van zijn lijf te verjagen. Ik zal toen ruim drie jaar zijn geweest. Mijn vader moest toen het inkomen verdienen voor een gezin met elf, misschien al twaalf kinderen, terwijl de inkomsten uit zijn transportwerk slonken doordat de bewoners van de dorpen rond de steden mobieler werden waardoor steeds minder bodediensten werden gevraagd. Of hij nog enige vergoeding in ruil voor zijn slinkende klantenkring heeft kunnen lospeuteren bij het ene of andere vervoerbedrijf blijft voor altijd onder de vracht van de voorbije jaren verborgen. Inmiddels hebben bedrijven als Piet Schuit en Simon Loos al die kleine ploeteraars met hun paarden en karren opgeslokt. Onze wagenberging en de paardenstal werd nog gedurende een tiental jaren voor een nacht of enkele dagen verhuurd aan voerlui die Wadway na gedane arbeid passeerden, en het grasveld dat nodig was voor het paard spitte pa grondig om voor groenten en aardappelen ten behoeve van zijn nog steeds groeiende schare kinderen.

 

Vier Jannen

Het basisabonnement op MyHeritage liep na een jaar af. Mede omdat ik de maximale omvang van dit abonnement had bereikt (250 personen) dacht ik zonder hulp nog wel het een en ander aan te kunnen vullen, bovendien kwamen andere zaken op mijn pad en niet allemaal even leuk kan ik melden, zoals spierreuma en een herniaoperatie. Ten slotte kriebelde het weer, ook omdat aan de hoofd-stamboomtak van mijn moeder nog weinig zijtakken groeiden, vooral ten opzichte van de hoofdtak van mijn vader die reikte tot mij vermoedelijk in 1700 geboren oudgrootvader Arie Japichszoon Dekker ‘Dol’. Op 7 maart 2021 heb ik mij opnieuw voor een jaar geabonneerd. Ditmaal op de Premium-versie die recht geeft op een omvang van 2500 personen. Vanaf de start van dit tweede abonnement concentreer ik me vooral op mijn voorouders, vooralsnog niet of veel minder op hun kinderen en andere verwanten. Ik vond opnieuw leuke en minder leuke nieuwe feiten, zoals voorvaders die molenaar waren én in een watermolen woonden. Chirurgijns, slagers, vissers, een hoofdonderwijzer en een grootrondbezitter annex burgemeester. Zussen die enkele generaties later dezelfde nakomeling deelden, een voorvader die vijf keer opnieuw in het huwelijksbootje stapte, enzovoort. Meest hebben mijn voorouders Westfriese wortels maar er stamden ook uit Groningen, Overijssel en Limburg, en voorouders die vanuit Frankrijk via België, Breda en Amsterdam naar Westfriesland kwamen.

Al na enkele weken vond ik aanvullende informatie over een mij reeds bekende oudbetovergrootvader Jan Janszoon van den Eijkel (1717 – 1788) en zijn zoon Jan. In bijna één sessie ontdekte ik zijn vader, eveneens een Jan Janszoon, grootvader Jan Klaaszoon, overgrootvader Claes Janszoon en zijn betovergrootvader Jan van den Eijkel. Dat zijn veel Jannen, zelfs vier Jannen achter elkaar. In mijn stamboom begint en eindigt deze genealogische lijn via mijn moeder, vooralsnog met deze nieuw ontdekte voorvader, mijn stambetovergrootvader Jan van den Eijkel. Van hem is slechts bekend dat hij voor 1610 geboren is in Rotterdam en dat hij in 1640 getrouwd is met ene Jenneke Claesdochter. Hun zoon, mijn stamovergrootvader Claes Janszoon van den Eijkel, is op 27 maart 1642 in Rotterdam geboren. Zijn zoon, Jan Klaaszoon, wiens moeder vooralsnog verborgen blijft, is net als zijn vader in Rotterdam geboren, rond 1660. Eveneens onduidelijk is of Claes Janszoon meer kinderen met deze onbekende vrouw kreeg. Mijn stamgrootvader Jan Klaaszoon van den Eijkel trouwde op 28 november 1678 in Rotterdam, met de in Vianen geboren Margarethe Bolthorn. Zij brachten voor zover bekend, drie zonen voort, alle drie geboren in Rotterdam, waaronder mijn stamvader Jan Janszoon van den Eijkel, de vader van de eerder genoemde oudbetovergrootvader.

 

Bizarre ongevallen

Als je genoeg materiaal vindt waarmee je iets dieper in de levens van je voorouders kunt graven voel  je het verleden. Over de meeste voorouders kom ik echter niet meer te weten dan hun geboorte-, huwelijk- en sterfdatum, hun echtgenoten, broers en zussen en kinderen. Hoe dieper je in de geschiedenis van je familie afdaalt hoe kleiner de hoeveelheid informatie. Soms blijft het beperkt tot een naam en als je geluk hebt het geboortejaar of het jaar van overlijden. Over deze Jan Janszoon van den Eijkel, mijn stamvader, de negende generatie geteld vanaf mijn persoon, verkreeg ik verrassend veel inlichtingen. Hij werd op 7 juli 1680 geboren in Rotterdam en overleed op 28 mei 1754 in Noordwijk (Zuid-Holland). Hij was gedurende zeven jaren in dienst bij de VOC voordat hij ‘zijn boot’ verruilde voor het huwelijksbootje. Wellicht kreeg hij van zijn kapitein, in de weken voor zijn vertrek naar de Oost, verlof om in de haven van Katwijk te passagieren en werd hij daar verliefd op een meisje uit het nabije Noordwijk. Stijntie was haar naam, geboren op 27 februari 1689 in Noordwijk en de dochter van Korstiaan Willemszoon van der Boom en Stijntje Jacobsdochter Vergeer. Stijntje zal haar dochter op het hart hebben gedrukt ‘Denk eraan, meisje, als jij die jongen zo graag ziet zorg dan dat hij aan de wal blijft, anders heb je immers geen toekomst!’

Meer waarschijnlijk is dat zij elkaar pas zeven jaar later hebben ontmoet nadat zijn thuisreisschip in de haven van Rotterdam is afgemeerd. Zij heeft hoe dan ook mijn stamvader, die danig ernstig verliefd moet zijn geweest, zover gekregen dat hij toegaf aan haar wens om zijn zeeleven te verruilen voor een landleven. Het paar trouwde op 4 november 1708 in Noordwijk. Zij kregen zes kinderen Margrietje op 1 augustus 1709 en mijn oudbetovergrootvader Jan Janszoon vormde op 2 juli 1717 de hekkensluiter. Al eerder op 23 april 1713, na drie meisjes, kregen zij een zoontje die zij Jan noemden. Dit zoontje was nog geen vier jaar oud toen hij overleed. Zijn sterven viel gelijk met de geboorte van zijn broertje Jan Janszoon. Mijn voorouders werden vaak geconfronteerd met de sterfte van een of meer jonge kinderen. Bij de geboorte van een baby hielden ze als het ware al rekening met voortijdige sterfte. Dit gebeurde zo frequent in de jaren voorafgaande aan de afgelopen eeuw dat sommige ouders hun kindje pas na enkele weken een naam gaven. Het was dus niet vreemd dat een volgend kindje de naam van zijn of haar overleden broertje of zusje kreeg. Die ‘gewoonte’ duurde  tot in de dagen van mijn grootouders. Het opmerkelijke zit in dezelfde datum van overlijden en geboorte. Eerst denk je dan ook, dat kan niet, ik geloof niet dat dit werkelijk heeft plaatsgevonden. Toen ben ik maar eens op zoek gegaan naar registers waaruit ik meer bewijs zou kunnen verkrijgen.

Ik vond voor beide jongens direct en primair bewijs via gedigitaliseerde registers van Erfgoed Leiden en Omstreken. Bron: doop-, trouw- en begraafregister, waaruit ik van beide Jannen hun geboortedatum en de namen van de ouders vond – in het register Noordwijk-Binnen, NG Dopen 1621-1811. In de overlijdensregisters vond ik alleen een vermelding van één Jan van den Eijkel. Dit betrof de zoon van mijn oudbetovergrootvader, en is gedateerd op 11 december 1805, met als woonplaats ziekenhuis. In FamilySearch Stamboom vond ik (direct en primair) bewijs in zake kleine Jan: Overlijden juli 1717 in Noordwijk Zuid-Holland. En in GenealogieOnline stambomen index: Overlijden 2 juli 1717. Over Jan Janszoon vind ik in GenealogieOnline stambomen betreffende zijn overlijden: 7 oktober 1788 – Noordwijk (ZH); … Nederlands. begraven pro deo 7 oktober 1788, Noordwijk Zuid-Holland. Uit mijn onderzoek blijkt dat er (nog) geen onomstotelijk bewijs is te vinden dat hun eerste zoontje inderdaad op 2 juli is overleden. Toch neem ik dat voor mijn stamboomonderzoek voorlopig aan.

Zelfs in de tijd waarin het veelvuldig voorkwam dat kinderen op zeer jeugdige leeftijd stierven, moet het voor Stijntie en Jan Janszoon sowieso een drama zijn geweest om een kindje van bijna vier jaar te moeten verliezen. Jantje was immers geen baby meer. Hij had inmiddels een leeftijd waarop zijn ouders mochten vertrouwen dat hij zijn kindertijd al zou hebben overleefd! Er kan natuurlijk van alles zijn misgegaan. De zorg voor moeder en kind was nog lang niet op het peil als in onze dagen en er bestond voor veel kinderziekten geen remedie. Maar op dezelfde dag afscheid moeten nemen van een kind en het leven aan een nieuw kindje geven, dat moet voor hen bizar zijn geweest. En zo ook voor hun omgeving: Moeten we hen condoleren of feliciteren?

Ik heb zo’n situatie een keer van nabij ervaren, gelukkig bleef het bij die ene keer! Het overkwam mijn jongste zus Gerda. Voor haar sloeg het noodlot toe op zondag 17 juni 1979, het was Vaderdag en het jonge gezin zat na een bezoek aan haar schoonouders in de auto op weg naar huis. Een auto met daarin twee waardeloze zatlappen, in die zin dat het waardeloos is om dronken achter het stuur te gaan zitten. Zij kwamen hen zwabberend en slingerend op hoge snelheid tegemoet.

Gerda’s man schreeuwde nog iets als ‘klootzakken…’ maar kon op de smalle eenbaansweg dit gevaar niet meer tijdig ontwijken zodat de auto’s frontaal op elkaar botsten. Gerda was hoogzwanger. De bijna voldragen baby in haar buik heeft haar waarschijnlijk gered doordat het fungeerde als een van de tegenwoordig verplicht ingebouwde airbags. Haar man en hun dochtertje Saskia, op twee maanden na drie jaar oud, waren op slag dood. Mijn zus was zwaargewond en moest uitgezaagd worden en per ambulance naar het ziekenhuis. Een van de zatlappen overleefde de crash. Diep in de nacht en zwaar onder de pijnstillende medicijnen beviel Gerda van haar dochtertje Susan.

Om deze schaduw over de geboortedag van haar dochter zoveel mogelijk te beperken is die vastgesteld op 18 juni 1979. Ik zie haar nog in haar ziekenhuisbed in de kamer die wij met lood in de schoenen betraden, zwaar gekneusd en een afgetobd gezicht door alle doorstane emoties van de voorgaande uren. Boven haar bed zowel beterschapskaarten als felicitatiekaarten met de geboorte van de nieuwe baby. De pijn dat zij Saskia niet meer heeft mogen zien en de blijdschap over de geboorte van Susan streden alom om de voorrang. Ach, zusje toch!

 

Historische gegevens vertellen niets over een eventueel ongeluk dat de kleine Jan van den Eijkel in 1717 mogelijk zou zijn overkomen. Ook vind ik rond de betreffende datum niets over eventuele besmettelijke ziektes of virussen, zoals het Covid-19 virus dat in onze dagen een pandemie veroorzaakt en waarschijnlijk nooit meer zal verdwijnen. In 1712 was de pest opnieuw uitgebroken in Utrecht. Ziekte specifieke kaarten werden pas ontwikkeld vanaf 1857 (Tijdschrift voor Geneeskunde). Er heerste veel armoede onder de bevolking dat zal in die tijd een grote rol hebben gespeeld. Steve Hawking merkte terecht op: ‘Wetenschap kan mensen uit armoede opheffen en ziekte genezen. Dat zal op zijn beurt de burgerlijke onrust verminderen.’

Wat is er dus met Jantje gebeurt? Is hij aangereden door een van de vele door een paard, ezel of hond getrokken karren die in die dagen rondreden? Was hij vanwege de aanstaande bevalling samen met zijn zusjes uit logeren en werd hij meegenomen naar het strand vanwaar hij, in een onbewaakt ogenblik, de zee in is gelopen en jammerlijk verdronken? Het waardoor of waarom, we weten het niet.

 

Jongmatroos

Onze stamvader Jan Janszoon van den Eijkel werd op eenentwintigjarige leeftijd zeeman. Hij kwam in dienst bij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), ’s werelds grootste handelsorganisatie, opgericht in 1602 onder de naam Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie.

Jan Janszoon werd opgeleid tot jongmatroos. Uit door mij verkregen historische gegevens kan ik opmaken dat mijn stamvader, gedurende de zeven jaren die hij bij de VOC diende slechts één zeereis heeft gemaakt.

De heenvaart werd door de Kamer van Enkhuizen onder inventarisnummer 14642, folio 83 geadministreerd. Het schip waarop hij zijn vaderland op 21 december 1701 verliet is de Venhuizen, of Venhuysen onder commando van kapitein Dirk de Reus. Het betrof een schip van het model fluitschip. Wikipedia: Een fluitschip of fluit (fluytschip, fluyt) is een lang type zeilschip met drie masten, een platte bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.’

De Venhuysen is in 1697 gebouwd, in opdracht van de Kamer van Enkhuizen op de VOC-werf in Enkhuizen. Het is in Batavia verkocht op 11 oktober 1712. Het schip werd extra verstevigd omdat het de tropische zeeën zou bevaren waar hitte de sterk gebogen planken van de romp kon doen barsten. Het schip had een lengte van 130 voet (bijna veertig meter) en kon worden beladen met een vracht van 125 last (250 ton). Aan de boeg bevond zich een kleine uitbouw of galjoen. De Kamer van Enkhuizen was een van de zes kamers (een ondernemingsvorm) van de VOC. De andere kamers waren die van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Delft en Middelburg. Bij de oprichting in 1602 kreeg de VOC in Enkhuizen de beschikking over de Engelse Toren aan de Oosterhaven, bij de Blauwpoortsbrug. In de tijd van Jan Janszoon was de kamer verhuisd (1628 – 1816) naar een pand aan de Wierdijk, dit ‘nieuwe’ pand ging uiteindelijk door brand verloren.

 

Ik probeer mij te verplaatsen in de Rotterdammer, de jonge Van den Eijkel. Ik zie hem als het ware,  met de hulp van vader Jan en broer Willem, met zijn bagage in de vorm van een grote en onhandige zware scheepskist sjouwen, die in de dagen daarvoor zorgvuldig door moeder Margaretha werd ingepakt. Zijn ouders zullen al wel tranen hebben gelaten toen hun oudste hen informeerde over zijn aanmonsteringsplannen. Nu het zover is en hun kind zo’n verre en gevaarlijke reis gaat ondernemen hebben zij het moeilijk: ‘Misschien zien we hem nooit meer, Jan!’

‘Ach moeder, we moeten er maar het beste van hopen.’

Zeker is dat zij hem vele jaren niet meer zullen zien en zelfs onzeker of zij hem ooit nog in hun armen zouden kunnen sluiten. Dat was wel iets anders dan toen wij afscheid moesten nemen van onze jongste zoon. Jesse ging met zijn vriend Pieter, een wereldreis van één jaar maken. Eerst naar Indonesië, van daar naar Australië en vervolgens naar Nieuw-Zeeland. Ons kind reisde met een veel veiliger vervoermiddel dan zijn verre voorouder. De kans dat Jan Janszoon die gevaarlijke zeereis niet zou overleven was vele malen groter dan dat het vliegtuig van Jesse en Pieter zou kunnen crashen. Bovendien verbrak Jan Janszoon door zijn vertrek zo ongeveer alle contacten met zijn familie terwijl Jesse regelmatig met ons kon telefoneren en ons brieven of kaarten kon sturen zodat wij zijn wel en wee konden volgen. Niet dat hij daarvan veelvuldig gebruik maakte, het kón! Jan Janszoon heeft via een beurtschip wellicht af en toe een berichtje naar zijn ouders kunnen sturen of een levensteken van thuis ontvangen, maar dergelijke tijdingen waren vaak langer dan anderhalf jaar onderweg!

Moeder heeft hem voor het ouderlijk huis al uitgebreid geknuffeld, van goede raad voorzien, hem in het oor gefluisterd dat zij iets lekker voor hem heeft ingepakt en afscheid genomen. Nu zeulen de broers en hun vader met de onhandige zeemansbepakking over de nog meest onverharde Dam, de latere Hoogstraat, waar kroegen hun eerste vroege gasten ontvangen. Regelmatig wordt het groepje door een bekende aangeroepen. Rotterdam is in die dagen eigenlijk nog niet veel meer dan een flink uit de kluiten gewassen dorp waar iedereen elkaar kent, met uitzondering van de vreemde sujetten die met de schepen meegekomen zijn. ‘Vaarwel, vaarwel’ klinkt over en weer, ‘het ga je goed!’

In de zeventiende eeuw werden rond het riviertje de Rotte maar liefst vijf havens aangelegd. Door de oprichting van de VOC namen de handel en de scheepvaart snel toe. Misschien lag het goede schip Venhuyse in de Leuvehaven gereed. Deze haven, Rotterdams oudste haven had sinds 1600 een open verbinding met de Maas. Vanuit hier voer de Venhuyse naar de rede van Texel waar nog goederen moesten ingenomen. Wikipedia over de rede van Texel: Van de vijftiende tot begin negentiende eeuw was zij van belang voor de scheepvaart vanuit het gehele Zuiderzeegebied. Op de rede wachtten schepen op een gunstige wind om uit te zeilen, of namen zij bijvoorbeeld proviand en water in. Ook functioneerde de rede als overslagplaats voor schepen die beladen een te grote diepgang hadden voor de ondiepten van de Zuiderzee. De bloeitijd van de Rede van Texel lag globaal tussen 1500 en 1800. In de negentiende eeuw kwam een eind aan het gebruik om bij Texel te ankeren.’

Toen alle goederen waren gestouwd heeft Dirk de Reus zijn matrozen opgedragen de trossen los te gooien en de zeilen naar de wind te zetten. Onder een strakblauwe hemel zie ik de spitse voorsteven van het peervormige schip statig richting zee draaien. De zeilen aan de drie maten bollen op in de wind. Nog even en ik zie niets meer dan de ronde achterkant; de verre reis heeft een aanvang genomen. Eerst naar Kaap de Goede Hoop, die door de eerste Europeaan die de kaap ontdekte Cabo das Tormentas, Stormkaap werd genoemd. Op 6 juni 1702 komt het schip aan bij de Kaap waarvandaan het op 25 juni 1702 vertrekt naar Batavia, het tegenwoordige Jakarta op het eiland Java, waar de Venhuysen 5 september 1702 afmeert. Jammer dat niets bekend is over Jan Janszoons werk-, woon- en leefomstandigheden aldaar.

 

Repatriëring

De terugvaart van onze stamvader is vastgelegd door de Kamer van Rotterdam onder reisnummer 61755. Van den Eijkel maakte deze reis op het zogenoemde Spiegelretourschip IJsselmonde. Dit scheepstype dankt haar naam aan de scheepsspiegel, het vlakke gedeelte dat als ware als een spiegel boven de achtersteven hangt. Dit zeilschip is gebouwd voor het vervoer van goederen en personen. Het was uitgerust met drie masten en een sprietmast. De IJsselmonde werd in 1693 voor de Kamer van Rotterdam gebouwd op de VOC-werf Rotterdam. De VOC heeft het gebruikt tot het op 30 oktober 1716 werd opgelegd in Batavia – in VOC-termen onttakelen. Het schip mat 145 voet (44 meter) met een laadvermogen van 832 ton. Bij Wikipedia lees ik over de omstandigheden aan boord: De bemanning bestond voor 60% uit zeelieden, vaak uit verschillende delen van Europa (en maar al te vaak geronseld) en 30% militairen. Verder waren er ambachtslieden, handelaren en passagiers aan boord. Op de heenreis had men gemiddeld 206 mensen aan boord en op de terugreis 109. Dit kwam doordat een groot deel van de bemanning onderweg stierf door ziektes. Het voedsel en drinkwater bedierf vaak en was arm aan vitaminen. Zo ontstond scheurbuik, een groot probleem onder de bemanning. Af en toe stond er vlees op het menu omdat er enkele kippen en varkens werden meegenomen. Vooral voor het lagere deel van de bemanning was het leven aan boord bijzonder zwaar. De hogere rangen hadden nog eigen hutten maar de lagere bemanning sliep in slaapzakken in een slecht geventileerde ruimte voor in het schip.’ Het zou nog tot halverwege de achttiende eeuw duren voordat men erachter kwam dat met het regelmatig eten van ingezouten zuurkool scheurbuik kon worden voorkomen.

Stamvader Jan Janszoon van den Eijkel moest Batavia op 10 november 1707 verlaten omdat hij werd gerepatrieerd. Dat hij door de VOC naar zijn vaderland werd gezonden is waarschijnlijk omdat hij dusdanig ziek of gewond was dat herstel in Oost-Indië niet voor mogelijk werd gehouden. De terugreis werd gemaakt met de IJsselmonde, het schip dat onder bevel stond van kapitein Jan Jongerens. Op 30 januari 1708 bereikte de IJsselmonde Kaap de Goede Hoop. Blijkbaar moest lang op gunstige wind worden gewacht want pas op 23 april 1708 kon kapitein Jongerens de trossen los laten gooien. Op 18 september 1708, tweehonderdtweeënzestig jaar voordat een van zijn vele nazaten in de echt werd verbonden bereikte de IJsselmonde de haven van Rotterdam.

Jan Janszoon kreeg het druk in de dagen na zijn aanlanding. Hij moest wellicht herstellen van de lange zeereis maar misschien ook vanwege ziekte of de gevolgen van een ongeval, terwijl zijn huwelijk al spoedig op 4 november 1708 zou worden voltrokken. Hoe ging dat in het begin van de achttiende eeuw? Zeker is dat alles veel trager verliep dan in onze dagen. Voor een reis naar een andere stad of dorp had je vaak meerdere dagen nodig, dat ging per trekboot, met de postkoets of lopend. Alle afspraken maakte je per brief. Dergelijke berichten waren meerdere dagen of zelfs weken onderweg. Hoe vond hij werk en in welk beroep? Er moest kennis gemaakt met zijn aanstaande schoonfamilie, een betaalbare woning worden gevonden en huisraad aangeschaft. Het bruiloftsfeest moest geregeld, wie nodigen we uit? Met zijn gezin namen zijn zorgen snel in omvang toe. Hij was achtentwintig toen hij trouwde, negenentwintig toen zijn dochter Margrietje werd geboren, dertig toen hij vader werd van Stijntje, zijn tweede dochter en eenendertig toen Willemijntje werd geboren. In zijn tweeëndertigste levensjaar kondigde zoon Jan zich aan en bijna drie jaar later, op zijn vierendertigste kreeg hij een vierde dochter, Adriana. Toe kwam dat zware jaar 1717. Jan Janszoon was zesendertig toen Jantje overleed en zijn zoon Jan Janszoon werd geboren. Op zijn tweeënzestigste trouwde deze laatste zoon, mijn oudbetovergrootvader, op 5 maart 1743 met Jannetje Dirksdochter Glasbergen.

Stamvader en oud matroos Jan Janszoon van den Eijkel overleed op zijn drieënzeventigste, op 28 mei 1754. Eenentwintig jaar later, op 5 november 1775, overleed zijn weduwe Stijntie van der Boom op de respectabele leeftijd van zesentachtig jaar.

 

Tot slot nog een leuk weetje: op het moment dat ik dit schrijven afsluit, 12 mei 2021, heb ik 428 voorouders gevonden. Via mijn moeder rijkt een van onze stamboomtakken over een afstand van bijna vijfeneenhalve eeuw, tot 1480, het jaar waarin mijn stamoudovergrootvader Cornelis van Moerkerkcen is geboren.

 

 

 

Beuningen, mei 2021

Simon Dekker

zaterdag 15 mei 2021

 Beertje kon niet op bezoek.

 (voor mijn kleinkinderen)


Beertje kon niet op bezoek.

Niet naar school,

Niet naar zijn Beren vriendinnetje

Ja, zelfs niet naar de Beren Speeltuin.

 

Beertje kon ook niet naar oma Bruintje

Of naar opa Basje.

 

Hij moest thuis-blijven.

Bij Pappa Beer en Mamma Beer

En bij zusje Beer, natuurlijk!

 

Beertje verveelde zich.

Maar toen, hoera!

Hoera!’

 

Beertje mocht spelen.

Een huis bouwen.

Een boom tekenen

Of blaadjes vouwen.

 

Dat deed Beertje graag.

Beertje kreeg een groot vel papier.

Eerst tekende Beertje een bal

En kleurde die blauw.

 

Toen tekende Beertje een Boom

Een Bromtol en een Bij.

Die zoemde héél blij.

 

Daardoor kreeg Beertje een idee!

Weet je wat?

‘Ik bouw met blokken

Een brug en dan nog een boot

Van Lego, héél groot.

 

Beertje bouwde ijverig.

Zocht in zijn Lego ton

Naar de goede kleuren

En maakte veel lawaai.

 

Het duurde best lang

Maar toen was Beertje blij

Met zijn boot

En met zijn brug!

Ze waren SUPER GROOT.

 

Toen stapte Beertje in zijn Lego boot

Die wiebelde een beetje

‘Pas op, Beertje, val er niet in’!

 

Pfff, dat ging bijna fout

Gelukkig, mama Beer,

Géén natte broek

 

Beertje stuurt zijn boot.

Midden over het water

En onder de bolle Lego brug.

 

Dat ging heel goed.

Beertje zong zelfs een lied,

Over Opa Bakkebaard.

Die zijn huisje veegde.

Waarmee?

Met een bezem, met een bezem…

 

Zo kwam Beertje in het bos

In het Grote Beren Bos

Daar stonde ELF Bomen

Heel dik en heel groot.

 

Maar wat is dat?

Ziet Beertje dat goed?

Wat zit daar in die hoge boom?

 

Ja hoor, daar op die dikke tak.

Hoog boven de bosgrond

Bijna schuil tussen de bladeren

Daar zit Opa Basje.

 

‘Hé, Opa Basje, ik ben hier!’

Dan zien ze elkaar.

Ze zwaaien en roepen luid:

‘Dáááág Beertje!’

‘Dáááág Opa Basje!’

 

En toen was dit verhaaltje UIT.

zondag 4 november 2018

Nico, of een broer met verborgen talenten



Mijn nicht Chantal, verraste mij toen zij naar mijn herinneringen aan haar vader vroeg en hoewel zij deze vraag aan al haar tantes en ooms stelde, vat ik die persoonlijk op; voel me uitgedaagd en heb het gevoel dat ik haar vraag ruimhartiger wil beantwoorden dan zij wellicht verwacht. Misschien omdat ik wil achterhalen wat mijn broer voor mij betekend heeft, of omdat het mij ontroerde dat zijn dochter, die intussen zelf moeder is van een mooie dochter en dit voorjaar tweeënveertig jaar oud is geworden, naar hem op zoek is, terwijl zij als vierjarige afscheid moest nemen zodat zij hem nooit heeft leren kennen. Misschien ook omdat mijn broer al meer dan achtendertig jaar geleden overleed waardoor mijn herinneringen aan hem steeds meer vervagen als foto’s in een beschimmeld album dat nog maar weinig wordt doorgebladerd. Misschien wil ik ook aan dit verhaal beginnen omdat ik voel dat ik moet proberen Nico uit het verdomhoekje te halen waarin hij een groot deel van zijn kindertijd heeft gezeten, wellicht door zijn eigen toedoen, maar waarschijnlijk mede veroorzaakt door mijn gedrag. Als ik aan die mogelijkheid terugdenk voelt dat alsof ik tekortgeschoten ben tegenover hem, alsof ik door onhandigheid of onwetendheid heb gefaald in een gewichtige taak die mij nooit door iemand werd opgedragen. Dat is het misschien waarom ik wil proberen mijn broer terug te vinden onder de dikke laag stof van de voorbije jaren. Daarenboven is het waarschijnlijk ook vanwege de auto-immuunziekte die mij sinds twee jaar plaagt en zoveel energie eist dat ik me maar moeilijk kan concentreren, en dat ik me door de vraag van Chantal gestimuleerd voel weer te schrijven. Welke redenen ook, ik wil graag proberen dit verhaal te schrijven; het herinneringsboek in mijn hoofd doorbladeren langs pagina’s waarin Nico zeker nog moet voorkomen.

Zoals ik al verwachtte gaat het schrijven moeizaam. Ik staar geregeld naar de paar eenzame alinea’s, de magere oogst van weken en ben mij op zulke momenten pijnlijk bewust van het zoemen van de laptop terwijl de tijd werkloos voortglijdt. Af en toe verander ik iets aan een zin om het na verloop van enige tijd weer terug te veranderen. Geregeld glip ik bij het schrijven weg om een ingewikkelde binaire puzzel op te lossen, buiten in de zon een kop koffie te drinken en een boek te lezen – onder meer Het einde van de eenzaamheid trekt aan mij als een sterke magneet, een roman van Benedict Wells, dat volgde op Beks laatste zomer over een leraar die eigenlijk muzikant wilde zijn, maar als ik nog maar even zit te lezen beland ik alweer snel bij Nico en de teksten die ik onder handen heb zodat ik hele alinea’s opnieuw moet lezen. Of ik verplaats me naar de fotomapjes die klaarstaan voor het Noorwegen-vakantieboek, een project dat ook maar niet wil vlotten. Maar na iedere onderbreking keer ik terug naar de teksten. Dat is vast een goed teken. Want, ook al word ik soms moe van mezelf, er komen meer en meer herinneringen aan mijn broertje bovendrijven waardoor zijn beeltenis steeds duidelijker gestalte krijgt.
Oké, ik klik via Spotify een willekeurig nummer van Pink Floyd aan waarna, noem het toeval of niet, Wish you were here uit de speakers klinkt, Een van mijn favorieten. En ik begin gewoon weer opnieuw.




Hartstochtelijk in alles
Als peuter en kleuter was Nico een guitig kereltje, enthousiast en druk en gezegend met een mooie rode krullenbos en vrolijke zomersproetjes. Die sproeten, en dat rode haar, kreeg hij via de genen van onze moeder; de meeste Bakkertjes bezaten er ontelbare als sterren aan een stikdonkere winterhemel. Als ik met onze kleinkinderen samen was zag ik een enkele keer zijn schim. Ook die keer in juli 2015 verscheen Nico als bij toverslag. Ik schreef erover in een blogbericht:
‘…We waren nog maar net terug uit Haarlem, waar we de dag met Samuel, onze jongste kleinzoon, hadden doorgebracht. We hadden er een lange dag vadertje en moedertje gespeeld, met Samuel als baby, een rol die hij moeiteloos op zich nam. Al eerder trof mij de gelijkenis tussen onze kleinzoon met Wim, mijn jongste broer die tegenwoordig Willem wordt genoemd. Maar later op deze gedenkwaardige dag zag ik ook Nico in hem, mijn broer die in 1980 op negenentwintigjarige leeftijd overleed. En op de A2, op weg naar huis, juist toen ik de afslag richting Den Bosch nam, zag ik Nico als kleuter helder voor mij: stevige bolle wangetjes, bedekt met sproetjes en voorzien van diepe kuiltjes, en twee felle oogjes vanonder korte pijpenkrullen. Ik vertelde Riky over mijn verwondering. ..'
Aan niets was merkbaar dat juist dit broertje zoveel pech op zijn levenspad zou vinden. Nico die, net als alle andere kleine Dekkertjes voor en na hem, vrolijk door de grote woonkeuken huppelde en zich geregeld verstopte, bijvoorbeeld achter de jassen aan de kapstok, waarbij hij zichzelf soms voortijdig verried door de rode haren die hij zelf tijdens zijn jeugd waarschijnlijk meer als een straf dan als een zegening heeft ervaren. Hij hield zo van de zon. Maar ik herinner me dat hoe vaker en langer Nico de zon opzocht des te meer sproeten er in zijn gezicht verschenen (nou ja, inmiddels weet ik wel dat dit niet klopt; onder invloed van zonlicht kleurden zijn sproeten donkerder en werden daardoor beter zichtbaar, het werden er niet meer.) En als hij opstandig werd, zelfs al toen hij een kleuter was, kleurden zijn wangen zo rood als zijn haar zodat zijn ogen des te feller contrasteerden en in een feller blauw dan ze van nature waren. Dan was het alsof hij jou, het eventuele onderwerp van zijn ongenoegen, met zijn blik probeerde te fixeren. Op school werd hij er regelmatig mee gepest, met dat rode haar en zijn sproeten. En tijdens de maaltijden, die we gewoonlijk aan de eettafel in de keuken gebruikten, beklaagde hij zich daar net zo regelmatig over. Ik herinner me dat onze moe hem soms troostte met de woorden: “Ach jongen, je moet maar zo bedenken, rood haar groeit op goeie grond, zwart en wit haar op ‘n koeienkont.” We hadden allemaal het grootste plezier om dat beeld en verzonnen nieuwe metaforen waaraan Nico tenslotte van harte mee deed. Of zijn moeders wijsheid hem ook echt geholpen heeft weet ik niet.
Mijn broertje was hartstochtelijk in alles, vooral waar het spelletjes betrof. Wel wilde hij altijd winnen, spelletjes bedoel ik. Dat lukte natuurlijk niet en als hij verloor was zijn gedrag niet te pruimen: speelkaarten, speelborden of damstenen, zonder onderscheid moesten ze het ontgelden. Ook als buitenspelletjes met de buurtkinderen, zoals pannenkoekenrace en verstoppertje of bok-bok-hoeveel-horens-heb-je-op-je-kop, niet verliepen zoals hij zich dat had voorgesteld, liep dat voor hem geregeld uit in een boze bui. Zo zat Nico zichzelf als het ware geregeld in de weg. Onze zus Tiny, die af en toe een weekeinde thuis was van haar opleiding tot verzorgster bij meervoudig gehandicapte kinderen, deed haar best om Nico te leren dat verliezen bij ieder spel hoorde. “Winnen is eenvoudig, maar verliezen moet je leren” was een van haar uitspraken. Ik zie haar nog rond de keukentafel surveilleren waaraan wij, haar jongere broertjes en zusjes op haar aanwijzingen knutselden of een nieuw spel speelden waarmee zij als het ware in praktijk bracht wat zij tijdens haar opleiding leerde. Wat en hoe zij het precies deed weet ik niet meer, maar daardoor werd het voor Nico en voor ons allemaal veel leuker. Uiteindelijk kreeg Nico het verliezen onder de knie. Mede daardoor kon hij later enorm genieten van voetballen en werd hij een gewaardeerd lid bij RKVVS. Des te wreder was het dat hij al op jonge leeftijd zo te kampen kreeg met blessures, zo erg gekweld werd door scheenbeenvliesontstekingen dat er als het ware gaten in zijn scheenbeen vielen. Wij, zijn broertjes en zusjes, noemden het beeneter omdat de ziekte zijn been als het ware op at. Zo was voetballen uiteindelijk niet langer mogelijk. Gelukkig beschikte Nico over een tot dan toe verborgen talent: andere voetballertjes beter leren voetballen en samenspelen.
Bij ons thuis verliep het eten lang niet altijd in rust want zoveel hoofden zoveel zinnen. Vooral voor Nico waren de warme maaltijden nogal een ding. Al bij het opscheppen, een taak die moe steevast zelf uitvoerde, beweerde hij van sommige groenten met grote stelligheid dat die vies waren. Hij wilde dan meer aardappelen en vlees in plaats van de gewraakte groente. Dat leidde steevast tot heibel met moe want zij had een heilige stelregel: alles wordt gegeten. Maar mijn broertje was daarin extreem en hield hartstochtelijk vast aan zijn ingenomen standpunt. Over veel verschillende groenten beweerde hij dat de boeren die aan hun varkens of koeien of kippen, konijnen of geiten voerde, dat ze dus niet geschikt waren voor menselijke consumptie. Want: “Wij eten toch ook geen gras en bietenpulp?” En als een bevredigend antwoord uitbleef: “Nou dan?” Nou ja, wat koolraap en spruiten betrof, stemde ik van harte met hem in hoewel het gek was dat ik tijdens het plukken af en toe op een spruitje kauwde omdat ik die ongekookt juist zo lekker vond.
Als kind had ik mijn eigen tuintje, een klein stukje met touw afgezette grond in de bessentuin. Daar liet ik goudsbloemen en afrikaantjes bloeien en radijsjes groeien. Het zaad en de goede raad kreeg ik van de in mijn ogen stokoude buurman Groot. Ik meen dat de meesten van ons zo’n tuintje hadden, gedurende kortere of langere tijd, maar of mijn broertje er in zijn tijd ook een op nahield, daarover draag ik geen kennis. Wel herinner ik mij dat Nico het leuk vond om tulpen in potten op te kweken. Het was dan ook niet vreemd dat hij na de lagere school in de land- en tuinbouw terecht kwam, hoewel ik denk dat hij daarin gestuurd werd door moe (zoals zij ook voor mij besloot dat ik, ongeacht mijn eigen wensen, huisschilder zou worden.) Blijkbaar haalde Nico uit dat werk toch te weinig voldoening of verdiensten want al binnen een paar jaar maakte hij een nieuwe keuze. Wellicht geïnspireerd door de kwaliteiten van onze oudste broer op dit gebied liet hij zich omscholen tot metselaar en ontpopte zich, bij de firma Huibers meen ik, tot een noest werkende bouwvakker. Avontuur en vlot geld verdienen voerden hem later via een ronselaar naar Duitsland. Wat hem uiteindelijk deed inzien dat aan die ronselpraktijken nare kantjes zaten – zoals het niet afdragen van geld voor sociale regelingen en belastingen – weet ik niet, maar na niet al te lange tijd hield hij het voor gezien.
Nico leerde Lida kennen en stichtte met haar een gezin. In onze beleving voortijdig, als eerste en enige die dat overkwam. Dat was in die tijd wel een dingetje al was het alleen maar omdat onverwacht uitgezien moest worden naar een geschikt onderkomen. Dat werd iets tijdelijks in de vorm van een caravan op het erf van ons ouderlijk huis, waarin Misael werd geboren, voordat een huurhuis aan de Mercuriusstraat in Spanbroek kon worden betrokken. Hun huwelijk hebben wij helaas gemist. Onderweg naar het bruiloftsfeest, in een nieuw aangeschaft tweedehands autootje, een Renault vier, stokte onze reis al in Arnhem vanwege een kokende radiator. Een auto huren lukte niet omdat we de borg niet konden betalen. Verder reizen met de trein was om dezelfde reden evenmin een optie.
Chantal is hun derde kind. Het zusje dat na haar broer geboren werd heeft de bevalling vanwege een navelstrengomstrengeling helaas niet overleeft. En zo overkwam het jonge gezin een eerste grote ramp. Je zou zeggen dat zij daarmee wel voldoende hadden moeten incasseren. Maar zo simpel is het leven niet.
Hun kinderen waren nog heel jong toen Nico het stoute plan opvatte om zelfstandig een huis te bouwen. Over verborgen, talenten gesproken! Er zat iets onverzettelijks in zijn streven dat huis zoveel mogelijk met zijn eigen handen te bouwen. Voor zover ik weet accepteerde hij zo weinig mogelijk hulp van anderen. Zelfs niet die van onze broers. Ergens meende ik hem wel te begrijpen. Onze ouders waren niet gul met complimentjes en tijdens zijn kinderjaren zat Nico geregeld in de hoek waar de klappen vielen. Hiermee kreeg hij iets in handen waarmee hij zichzelf en zijn omgeving kon laten zien dat hij iemand was waarmee serieus rekening moest worden gehouden. Evengoed verbaasde zijn houding mij want waar hij een helpende hand zoveel mogelijk afwees kon ik geen beroep op de deskundige hulp van mijn broers doen, zodat, als een klus mij uit de hand dreigde te lopen, ik vaak genoeg heb geroepen: “Waarom wonen mijn broers niet in de buurt, dan zouden zij mij hebben geholpen zoals ik hen geregeld hielp!”
Hoe dan ook, met dit project kon Nico laten zien wat hij waard was. Des te schrijnender is het dat zijn bijzondere werkstuk tegelijkertijd zijn nalatenschap zou zijn, zijn handtekening, steenhard bewijs van zijn bestaan, nog voor het goed en wel klaar was. De consequentie van zijn aanpak was dat hij een aantal jaren snoeihard heeft moeten werken omdat ook het werk bij de baas gewoon door moest gaan. Ook kon hij veel minder tijd aan zijn gezin besteden en het kon niet anders of ook zijn sociale contacten verschrompelden. Ik ben er niet bij geweest, maar het kan niet anders dan dat mijn broer op deze manier het uiterste van zichzelf vroeg. Misschien had dat niets te maken met zijn lijden en dood die toen zo nabij waren, evengoed vraag ik mij af, zou dat anders zijn gegaan als hij deze zware klus met meer handen had kunnen verrichten? Als de verantwoordelijkheid niet uitsluitend op zijn schouders had gedrukt? Feit is dat Beeneter, zijn oude vijand, hem weer te pakken kreeg. Was het daar maar bij gebleven!
We overliepen elkaar niet waar het bezoekjes betrof, Nico en ik. Dat lag aan de afstand tussen Nijmegen en Spanbroek in de tijd dat de economie en de daaraan gepaard gaande welvaart nog goed op gang moest komen. Hoewel, als het gezin van mijn ouders belangrijk kleiner was geweest, zoden we elkaar vaker hebben gezien, geloof ik. Nico heeft ons één keer verrast. We woonden toen in een flatje in de Nijmeegse wijk Hatert. Riky was hoogzwanger van Timothy of ons eerste kindje was misschien al geboren. Mijn broer kwam van zijn werk in Duitsland en maakte van de gelegenheid gebruik. Gewoonlijk zagen wij mijn broer bij bezoeken aan onze ouders en tijdens speciale gelegenheden. En later, toen hij getrouwd was, als we op de Mercuriusstraat waren, liepen we soms even bij hem en Lida en de kinderen aan.
Het nieuwe huis was zo goed als klaar toen wij eindelijk in de gelegenheid waren de trotse huiseigenaar en zijn prachtige werkstuk te komen bewonderen. Dat bezoek werd helaas tegelijkertijd een ziekenbezoek. Want nog voordat Nico daar de laatste hand aan had kunnen leggen was hij reeds veroordeeld tot de rol van een kansloze kankerpatiënt. Zo moet hij dat toch hebben gevoeld. En we weten allemaal dat Nico er alles aan heeft gedaan om die rol te weigeren, een onderneming die vergelijkbaar bleek te zijn met het leeghozen van een versplinterde boot. Een van de hoosblikken waarop hij vertrouwde was de alternatieve geneesmethode van dr. Moerman. Een therapie die hem ook nog eens financieel dreigde uit te kleden. Daarop verzocht, bad en smeekte hij om hulp bij de gemeentelijke overheid. Die verschool zich echter achter een barricade van regeltjes en kon geen erbarmen tonen. Daarop grepen familieleden en gewone burgers in. Juist toen was het hartverwarmend te mogen zien dat zovelen van zijn dorpsgenoten hem in zijn strijd steunden. En terwijl ik deze laatste punt type zingt Roger Waters gefrustreerd: ‘…  
so you think you can tell / Heaven from hell / Blue skies from pain …’ De bandleider zingt weliswaar over een ander soort pijn, evengoed ontroert het me nu meer en op een andere manier dan het eerder deed.

Nummer dertien
Het was geen gemakkelijke vraag, de vraag van mijn nichtje: “Welke karaktereigenschappen waren zo typerend voor Nico? Het eerste dat bij mij binnenkwam is druk. Als we tegenwoordig het gedrag van Nico als kind, moeten samenvatten, dan zouden we wellicht zeggen dat hij aan ADHD leed. Volgens de Hersenstichting: ‘Attention Deficit Hyperactivity Disorder, ofwel snel afgeleid en hyperactief gedrag. Globale kenmerken van ADHD zijn: hyperactiviteit en impulsiviteit, en/of problemen met aandacht.’ Toen hadden we er niet van die ingewikkelde diagnosticerende woorden voor. Wij vonden Nico gewoon druk, hij stuiterde vaak door het huis en was snel driftig. Ik herinner me nog dat ik het heel bijzonder vond dat onze oudste zoon Timothy en onze schoondochter Annemarie, ons eerste kleinkind Niek noemden met de bedoeling Nico, toen eenentwintig jaar na zijn dood, via zijn naam levend te houden. Hoe prachtig past daar de uitspraak bij van Benedict Wells in Het einde van de eenzaamheid: ‘De herinnering, laatste toevluchtsoord voor de doden.’ Dat hij werd vernoemd, daarin zal Nico niet de hand hebben gehad, toch? En Niek zal zich niet vanwege een mogelijke ‘laatste toevluchtsoord voor de doden’ ontwikkeld hebben tot een persoon met autistische kenmerken, maar opvallend is wel dat zijn gedrag als kind mij deed denken aan dat van mijn broer. Bovendien is de zoon van Timothy en Annemarie net zo’n trotse eigenaar van een mooie bos rode haren.
Nico was het dertiende kind in ons gezin. Misschien hebben de mensen in Amerika en Europa gelijk dat zij dertien als een ongeluksgetal beschouwen, hoewel ik denk dat het onzin is. Feit is dat in de Bijbel sprake is van twaalf apostelen en dat Judas als dertiende persoon plaatsnam aan de tafel van het Laatste Avondmaal. En in een verhaal van Stephen King gebeuren op de niet bestaande dertiende etage van een hotel (Amerikaanse hotels slaan dertien als getal voor een etage gewoonlijk over) de meest verschrikkelijke dingen en in vliegtuigen ontbreekt meestal de dertiende rij stoelen. Johan Cruijff vierde triomfen met rugnummer 14. Als hommage aan Johan laat Ajax nooit meer een voetballer onder het rugnummer 14 spelen. Dat is prachtig, maar volgens mij beschikte Cruijff eenvoudig over een subliem voetbaltalent. Daaraan kon geen enkel rugnummer iets veranderen. Evengoed, onzin of niet, feit is dat het dertiende kind van mijn ouders bovenmatig veel onheil overkwam.
Zoals ik er nu op terugkijk lijkt het alsof mijn broer onbewust altijd geweten heeft dat hij jong zou sterven, zodat hij iedere minuut van de vierentwintig uur waarover wij dagelijks kunnen beschikken, zo volledig mogelijk benutte. Ja, Nico was veel meer dan druk en driftig. Hij had een enorme drive en wist wat hij wilde, liet zich niet voor een gat vangen en beschikte over een indrukwekkend doorzettingsvermogen.

Familiegeschiedenis
Onze familiegeschiedenis hebben we een paar jaar geleden uiteengezet in twee jaarboeken van Stichting Historisch Spanbroek-Opmeer. Evengoed wil ik voor de duidelijkheid en als basis voor dit verhaal nog een korte samenvatting geven. Mijn vader en moeder waren op 13 september 1934 respectievelijk zesentwintig en twintig jaar oud toen zij trouwden. Hij was de oudste zoon van een vrachtrijder uit Wognum, zij de op een na jongste dochter van een tuinder uit Obdam. Zij gingen wonen in een huisje aan het Padje in Wadway dat hen slechts bescherming bood tegen regens en wind en de ergste kou en warmte. Het was verstoken van alle tegenwoordige gemakken, zoals nagenoeg alle arbeiderswoningen in die tijd. Naast hun huisje stond een wagenberging, de boet noemden wij die, en daarachter een paardenstal zodat hij hier het vrachtrijdersbedrijf van zijn vader zelfstandig kon voortzetten. Zij beschikten niet over elektriciteit – afgezien van een windmolentje dat achter het huis stond (aan het Rottegat); het is mij onbekend waarvoor zij de opgewekte stroom gebruikten en hoelang zij er gebruik van hebben gemaakt. Waterleiding en riolering ontbraken eveneens. Zij wasten zich met het regenwater dat werd opgevangen in een waterput. Datzelfde water verwarmden ze op een petroleumbrander of de kachel en vulden daar een wasteil mee voor hun wekelijkse wasbeurten, een gebruik dat vele jaren zou standhouden. De wc bestond uit een houten hokje boven een in de grond gegraven gat dat geregeld moest worden leeggeschept. Er was geen keuken en dus ook geen aanrecht en zij sliepen in bedsteden in plaats van slaapkamers. Wel waren zij in het gelukkige bezit van een fruitboomgaard!
In een van de twee bedstedes die het huisje rijk was werd al na negen maanden hun eerste kindje geboren en kort na hun twintigste huwelijksverjaardag, mijn moeder was toen in haar veertigste levensjaar, kwam het laatste. Ze zullen nooit hebben kunnen bevroeden dat het er uiteindelijk, zestien zouden zijn, tien meisjes en zes jongens. Arme moe en pa! Wij, jongens onder elkaar, hebben wel eens spottend opgemerkt dat het jammer was dat ze geen tien jongens hadden gekregen in plaats van tien meiden, dan hadden we, met pa op doel, een familie-elftal hebben kunnen vormen. Dat was ver voordat wij konden genieten van het damesvoetbal op de televisie; het Nederlandse damesvoetbalelftal presteert uitermate goed in de wereld van vandaag.
Gedurende die eerste twintig jaren werden er, terwijl hun talrijke kroost opgroeide, ingrijpende aanpassingen aan en rond het huisje verricht. Al spoedig sneuvelde de fruitboomgaard ten behoeve van gras en een uitloopplek voor vaders ket en de paarden die soms bij ons thuis logies kregen. Er werd een keuken aangebouwd die voorzien was van stromend water, een aanrecht en een elektrisch fornuis, zodat mijn moeder niet langer in een soort van ‘bijkeuken’ – gevormd door een koud en tochtig hoekje in de wagenstalling – op petroleumstellen hoefde te koken en af te wassen onder de waterpomp. Bij die gelegenheid, of kort daarvoor, werd elektriciteit aangelegd. Er kwam een inpandig toilet die in het Rottegat afwaterde. Links en rechts in het dak werden dakkapellen aangebracht zodat de open zolder kon worden opgedeeld in twee kleine slaapkamers (een voor jongens en een voor meisjes) en een grote slaapkamer die voorzien was van drie ledikanten waarin door meisjes en jongens werd geslapen. Het kleine opkamertje beneden werd vertimmerd tot een ouderslaapkamer zodat de bedstedes konden vervallen en er meer ruimte in de huiskamer ontstond. En later, toen pa het vrachtrijdersbedrijf staakte en als kaasmaker ging werken bij de zuivelfabriek Aurora, werd het gras van de uitloopweide ondergespit voor een tuin waarop groenten en aardappelen voor het uitdijende gezin konden worden verbouwd. Later kwam er een enorme boiler waarvoor een gat in het zachtboardplafond van de woonkeuken moest worden gezaagd; toen stroomde tot ons aller verwondering warm water uit de kraan! Met de komst van de boiler werd het washok voorzien van een lavet met douche. Nog weer later verviel het schuine dak en werd het huis verder uitgebouwd met een nieuwe opbouw over het oude en het nieuwe deel van het huis.
Maar de voor moe belangrijkste verandering, die volgde op mijn geboorte, was de vervanging van het wasbord door een wasmachine, een cadeautje van de parochiële charitas. Een gezin met tien kinderen produceert wekelijks een berg wasgoed. Daar ben je wel even zoet mee als je die hoop met de hand moet wassen. Dat presentje was dus meer dan welkom, hoewel er in vergelijking met de machines van tegenwoordig nog heel veel handwerk overbleef (mijn moeder was er een halve week druk mee voordat alles weer gebleekt en gestreken in de kasten lag.) Die charitas-machine bestond uit een eenvoudige geribbelde kuip van hout. Deze moest worden gevuld met het kookwater uit de tobben waarin de was gedurende de nacht van zondag op maandag, op petroleumstellen in de boet, had staan koken – maandag wasdag volgde logischerwijze op de zaterdag, de dag waarop we ons wasten en verschoonden of gewassen en verschoond werden. Aanvankelijk moest moe – misschien met de hulp van Ina en Annie die toen elf en tien jaar oud waren – de was nog langdurig met de hand ronddraaien voordat met behulp van de vier roerarmen die op een as in de bodem van de kuip waren gemonteerd, al het vuil was losgemaakt. (Later werden die roerarmen vervangen door een schoep, een soort van waaier die werd aangedreven door een elektromotor onder de kuip.) Boven de kuip was een met de hand aangedreven wringer gemonteerd waarmee de was kon worden uitgewrongen waarna het nog moest worden gespoeld, opnieuw gewrongen en gecentrifugeerd, een nieuwigheid die later werd toegevoegd waardoor de was niet zo lang aan de waslijnen hoefde te hangen. Wij werden ook regelmatig door moe ingezet om haar te helpen bij het draaien, wringen, spoelen en centrifugeren en ik herinner me dat ik ook wel eens hielp met het ophangen van de schone was. Ik had het huis al verlaten toen er eindelijk een machine kwam die min of meer zoals de huidige generatie kon koken, wassen, spoelen en centrifugeren. In die dagen moet zij bij het doen van de was vrolijk hebben gefloten!
Uit de tijd dat de was nog langdurig aan lange waslijnen rond het huis te drogen hing, herinner ik me het verhaal dat iemand in een onbewaakt ogenblik in de teil met schoon en droog wasgoed had geplast zodat het weer opnieuw moest worden gewassen en te drogen gehangen. Dat voorval veroorzaakte uiteraard veel opschudding. Aanvankelijk werd Nico van deze wandaad verdacht, maar gelukkig bleek zijn onschuldig toen de echte dader door de mand viel. Ik meen dat het een van de buurjongens betrof.

Privacy
Wij groeiden op in een traditioneel arbeidersgezin. Vader verdiende de kost, moeder verzorgde de kinderen en het huis. Zoals te doen gebruikelijk in die jaren deden jongens jongensdingen en meisjes meisjesdingen. Wat dat betreft waren de rollen in ons gezin duidelijk. Tegenwoordig is genderneutraliteit geregeld in het nieuws. De Hema legt bijvoorbeeld kinderkleding zonder geslachtsaanduiding in de schappen. Wij hoorden tijdens onze jeugd in de wandelgang over homo’s en lesbiennes en, als ik voor mijzelf spreek, zonder goed te begrijpen wat dat betekende maakten we daar grapjes over. Maar dat iemand zichzelf in een verkeerd lichaam voelde, daar hadden we toen geen vermoeden van en voor zover ik weet voelt geen van ons zich transgender of homoseksueel, hoewel er, volgens de statistieken, toch minstens een of twee van ons een seksuele voorkeur voor hetzelfde geslacht moet voelen.
Met de komst van ieder nieuw kindje werd het drukker en drukker in dat kleine huisje bij de Magdalenakerk in Wadway, we zaten uiteindelijk zo dicht op elkaar dat slechts in het toilet enige privacy kon worden gevonden, mits je het haakje niet vergat te sluiten. Een kreet als “Moe, leit ‘m opskiete, ik mot zó nôdeg!” kon je bij ons thuis geregeld horen; of je stond zelf met je handen tussen je benen te wachten tot je eindelijk je plas kon laten gaan. Pa en moe hadden tenminste nog hun eigen slaapkamer waarin zij zich terug konden trekken, maar voor ons waren de slaapkamers en de bovenverdieping in het algemeen, verboden terrein. Daar kwam je uitsluitend om te slapen en zelfs je bed deelde je met een ander. Ik herinner me vaag hoe ik verhuisde van het ledikantje op de overloop naar de grote slaapkamer. Dat moet rond de geboorte van Corrie zijn geweest; Ria legde toen beslag op het ledikantje dat ik verlaten had. Mijn nieuwe slaapplaatsje kreeg ik aan het voeteneinde van het eerste grote ledikant rechts waarin nog vier van mijn zusjes en broertjes sliepen. Gelukkig promoveerde ik jaarlijks, met de komst van weer een nieuw kindje, naar een geriefelijker plekje. Nico zal op zijn beurt ook wel hebben ontdekt dat uiterst rechts van het rechtse ledikant de allerbeste slaapplaats in het hele huis was. Je lag dan tegen het gordijn waarmee de laagste delen van de zolder werden afgeschermd en juist achter dat gordijn stonden altijd een paar kisten of dozen die gevuld waren met gedroogde appeltjes. Wie van ons heeft niet het genoegen gesmaakt van het langdurig kauwen op zo’n uitgedroogd partje appel, net zolang tot je speeksel de zoete appelsmaak tevoorschijn toverde! Bovendien had je daar de macht over de verdeling: “Toe nou joôn, gooi d’r naggerus ien deuze kant op!”
De kerk en de voorschriften van het katholieke geloof waren binnen ons gezin nogal een ding, in ieder geval tijdens onze kinderjaren. Bidden voor en na iedere maaltijd en voor het slapen gaan was belangrijker dan tandenpoetsen. Voor schooltijd iedere dag naar de mis en op school iedere maandag catechismus-overhoringen. Op z’n tijd biechten waarbij ‘ik heb onkuisheid gedaan’, naast ‘ik heb uit de suikerpot gesnoept’ populaire zonden waren, maar wat ‘onkuisheid’ precies inhield, daar waren we onzeker over want over seksualiteit werd niet gesproken. Dat onderwerp was min of meer taboe, zoals toenmaals in de meeste van de ons omringende gezinnen. Na de lagere school kwam ik tegen dat alles in verzet. Ik meen te weten dat dit, misschien in nog sterkere mate, ook voor Nico gold. En tegenwoordig zijn de meesten van ons slechts in naam katholiek. Van de laatste vijf gezinsleden waarvan we helaas afscheid hebben moeten nemen, eigen en aangetrouwd, vond er slechts één tijdens een eucharistieviering plaats.
Leeftijdgenoten spelen een cruciale rol in de ontwikkeling naar zelfstandigheid. Met behulp van wetenschappelijke onderzoeken is vastgesteld dat contact met leeftijdgenoten – binnen gezin en school, in de buurt en binnen clubs en verenigingen – bijdraagt aan onder meer de psychosociale ontwikkeling van kinderen en jongeren, aan het verwerven van cognitieve en emotionele vaardigheden en van communicatieve eigenschappen. In dat opzicht had een groot gezin als dat waarin wij zijn opgegroeid veel te bieden. Zo hadden onze zussen allemaal wel een zusje boven of onder zich, met een verschil van ongeveer een tot anderhalf jaar, aan wie zij zich konden spiegelen en met wie zij hebben kunnen optrekken. Dat gold ook voor de jongens, maar niet voor Nico (9-9-50) en Willem (28-10-54). Nico had twee zusjes boven en twee onder zich en Willem, de jongste, had twee zusjes boven zich. Zij waren wat dat betreft eenlingen. De rest van ons vormden als het ware paren: Ina (1-7-35) met Annie (14-11-36), Bruun (15-5-38) met Rem (26-6-39), Gré (20-1-41) met Lida (9-12-41), Tiny (25-12-42) met Afra (11-10-44), Jan (13-10-45) met mij (5-1-47), Ria (4-6-48) met Corrie (18-7-49) en Wilma (31-10-51) met Gerda (13-7-53). Tussen Jan en mij speelde dat contact een grote rol, maar dat zal niet voor alle zussen en broers en in dezelfde mate hebben plaatsgevonden.
Tussen Nico en Willem zat een leeftijdsverschil van drie jaar en ruim tien maanden en tussen Nico en mij drie jaar en bijna zeven maanden. Een verschil van bijna vier jaar is erg veel zodat Nico (en Willem) min of meer op zichzelf was aangewezen. Ik weet overigens niet of er tussen Nico en Willem betekenisvolle contacten plaatsvonden. Als dat zo was speelde het zich buiten mijn gezichtsveld af.
Kinderen hebben sowieso het gevoel dat de wereld om hun persoontje draait en, hoewel ik dat zelf niet goed kan beoordelen, gold dat voor mij misschien wel in extenso. Waarschijnlijk deed ik gewoonlijk zoveel mogelijk waarin ik zelf zin had, afgezien van de momenten dat moe een karweitje voor mij bedacht, en dat waren er vele, in mijn beleving dan toch, zodat je moest zorgen dat zij je zo weinig mogelijk in het vizier kreeg, waarbij ik me slechts af en toe afvroeg waarmee mijn broertjes en zusjes bezig waren. Vrijheid was een schaars goed; alleen onze kat Poes genoot daar in volle teugen van - zij kwam en ging naar eigen believen, maakte nestjes in de doos met breiwolresten en toonde haar jonkies op een moment dat haar te pas kwam.
Een groot gezin betekende niet alleen delen, letterlijk alles delen, zoals de ruimte, aandacht van je ouders, voeding, kleding en speelgoed. Maar ook voor jezelf leren opkomen. Vooral als het een beetje druk was, en dat was het vaak, had ik de neiging om me uit die drukte terug te trekken. Mits het weer dat toeliet leenden buiten spelen en buitenklusjes zich daar heel goed voor. Binnenshuis waren er nauwelijks mogelijkheden om je af te zonderen – urenlang op de wc zitten was natuurlijk geen optie. Vanaf het moment dat ik kon lezen vormde dat mijn kattenluikje waardoor ik kon verdwijnen. Eerst waren het strips, uit de krant en de Katholieke Illustratie en later uit de bibliotheek (Kuifje en Olie B. Bommel), maar pas via mijn eerste boek ontdekte ik deze ultieme verdwijntruc. Natuurlijk nam ik ook vaak deel aan spelletjes en discussies, pas als ik daar genoeg van had kroop ik met een boek op schoot, liefst in een van de gemakkelijkste stoelen of, als alle stoelen bezet waren, dat kwam voor, nam ik genoegen met een hoekje op de vloer. En als het verhaal mij vervolgens te pakken kreeg, kreeg ik weinig meer mee van wat er zich rondom mij afspeelde. Zo zag ik mijn broertje nog minder vaak. Bovendien was ik nog maar zeventien toen ik in Medemblik ging wonen omdat mijn moeder geen kostgangers wilde hebben, maar dat is een ander verhaal.
In 1967 heb ik nog een paar maanden thuis gewoond en in juli van datzelfde jaar ben ik naar Nijmegen verhuisd. De communicatie tussen Nijmegen en Wadway verliep vooral gedurende de eerste jaren gebrekkig vanwege het ontbreken van telefoon en de grote afstand, zodat ik jaar na jaar wat verder buiten het wel en wee van ‘Wadway’ kwam te staan. Zo groeiden we langzamerhand uit elkaar, Nico en ik.

Afgewezen worden
Als kind kon ik dus over een speelkameraad beschikken in de persoon van mijn broer Jan die een jaar en tweeënhalve maand ouder is. Na onze peutertijd trokken wij veel met elkaar op, betrokken elkaar in ongeveer elk spel, ontdekten samen de ‘wereld’ die aanvankelijk niet veel groter was dan het eigen erf mits we moe gehoorzaamden: “En bloif weg bai de sloôkant, oor!” (In een van mijn jongste herinneringen, of een van de oudste zo je wilt, sta ik als een hofhond vastgebonden aan een touw. Vanaf het bleekveld zie ik de rij bomen langs de provinciale weg en bedenk dat daar Utrecht moet zijn, de plaats waar ome Piet en tante Cor wonen). Op onze rug in het warme gras van het bleekveld konden we ‘urenlang’ naast elkaar liggend naar de langs zeilende wolken kijken, mits moe ons niet riep voor een klusje. Later breiden we onze omgeving langzaam maar zeker uit. We mogen naar de buren, links en rechts aan het Padje waar we met een kan en een emmer vol water ‘melk uitventen’ voor zover zij mee willen spelen, maar de Spanbroekerweg is nog de grens. Al spoedig bestaat onze wereld uit ‘heel Wadway’, verleggen we onze grenzen met bezoekjes aan onze grootouders, eerst in Wognum en later in Obdam, en aan sommige ooms en tantes, de speeltuin in Obdam, de Bedriegertjes in Bergen, de duinen en de zee en niet te vergeten, zwemmen in Nieuwe Niedorp.
We puberden samen, sliepen aanvankelijk in één bed en ontdekten onze eerste seksuele gevoelens in de beslotenheid van onze jongensslaapkamer (die we deelden met Bruun en Rem, maar als zij bij ons in bed stapten sliepen wij allang). Ook al hadden we ieder onze afzonderlijk vrienden, vormden onze karakters zich in belangrijke mate in elkaars nabijheid! Ik neem aan dat Nico zich ongeveer langs dezelfde lijnen ontwikkelde, maar, zoals vaker gezegd, dat deed hij buiten mijn zicht.
Dit min of meer ‘op elkaar aangewezen zijn’ werd bovendien bevorderd door moe: zij stuurde ons tegelijkertijd naar bed, strafte ons meestal samen (vroeger naar bed of, als variatie in geval we het wel erg bar hadden gemaakt, zonder eten naar bed), liet ons samen klusjes doen zoals bessen plukken, piepers schillen, anemonen wieden en rooien, spinazie snijden, bonen plukken, de schuur of de vliering opruimen en op kerstavond de kerstspullen tevoorschijn halen. En zij gaf ons voor sinterklaas speelgoed voor ons samen zoals een bobspel (een – zoals we later hoorden, door Rem gefabriceerd – sjoelbiljard), damspel, Schuco-autootjes, vishengels, enzovoorts. We knutselden samen met alle rommel die ons ter beschikking stond, gingen slootjespringen, polsstokspringen, hoogspringen, tulpenbollen stoven boven illegaal gestookte vuurtjes (omdat we wel eens wilden weten hoe dat ‘oorlogsvoer’ smaakte), wilde-eendennesten uithalen (met de eieren bakte moe onder meer pannenkoeken), schaatsen, sneeuwbruggen bouwen, roofwespen uitroken, tenten bouwen van oude karpetten en aansluitend kamperen en vissen en we gaven uiting aan onze fantasieën met betrekking tot indianen en cowboys, speelden kerkje, toneel bij de jeugdbeweging en bezochten geregeld samen kermissen en balavonden en zongen bij dezelfde zangvereniging. Ook onze eerste echte vakantie, die van hem en van mij, beleefden we samen. Tijdens die vakantie in Oostenrijk, ik was inmiddels negentien jaar, ontmoette Riky en ik elkaar.
Als ik teruglees, over de omgang tussen Jan en mij bedoel ik, lijkt het alsof dat altijd van een leien dakje is gegaan. Maar natuurlijk hadden we ook wel eens ruzie en onenigheid met elkaar. Door het verschil in leeftijd bezat hij meer kennis en ervaring, maar ik was behoorlijk eigenwijs en nam niet altijd alles voetstoots voor waar aan. En er was ook geregeld sprake van rivaliteit tussen ons. We wilden beiden winnen en dat ging lang niet altijd zonder slag of stoot. Evengoed was Jan mij meestal de baas, bijna nooit andersom, en moest ik leren verliezen en incasseren. Toch heerste er voornamelijk vrede tussen ons en waren we niet uitsluitend op elkaar aangewezen, we hadden immers ook onze eigen vrienden. Opvallend is wel, als ik daar nu over nadenk, dat we geen gezamenlijke vrienden hadden. Niet een!
Mijn vertrek naar Nijmegen betekende een definitieve verandering tussen ons en markeerde voor mij een duidelijke scheiding tussen mijn jeugdjaren en volwassenheid. Echt, ik voelde mij als negentienjarige zo volwassen als maar kan. Maar wat moest ik nog veel leren!
Uit de beschrijving over de omgang met mijn broer, wordt zichtbaar hoe belangrijk wij voor elkaar waren. Dat maakt tegelijkertijd duidelijk dat daarin voor Nico geen plaats was. Omdat wij gedurende een groot deel van onze schoolgaande periode zo veel tijd met elkaar deelden, sloten we onze jongere broer ongewild buiten. Maar de eerlijkheid gebied me toe te geven dat dit vaak ook bewust gebeurde: als Nico met ons mee wilde op eierenjacht of om te zwemmen of te vissen stelden wij hem teleur. Idem dito als hij met onze bestuurbare Schuco’s wilde spelen, het sinterklaascadeau waarmee wij het meest in onze sas waren, ik bedoel maar be-stuur-bare autootjes! Wij waren waarschijnlijk nog te jong om te beseffen hoe hard onze houding daarin was. Dat afgewezen worden bracht hem vaak tot razernij waarbij ons speelgoed wel eens sneuvelde, zelfs de autootjes, iets wat ik achteraf heel goed begrijp. Soms ook ‘streken we over ons hart’, zoals die keer op die schitterende zomerdag. Vergeten doe ik het nooit – ik schreef er op 19 oktober 2012 over in mijn (hardloop)blog Hoop:
‘… Ik voel weer de zonnewarmte in de zwart geteerde loopplank langs de sluis in Wadway. Het is een … warme herfstvakantiemiddag in 1957. Ik ben er met mijn broer Jan. We waren blijkbaar in een goede bui want we namen Nico mee, ons jongere broertje van nog net geen zeven. We hopen vis te vangen. Er bijt echter niets. Tegen beter weten in klimmen we in knotwilgen om vanuit zo’n hoge standplaats ons vistuig verder en dieper in de sloot te kunnen gooien. Niets helpt. Ik lig al een poosje op mijn buik op de opgewarmde loopplank langs de gesloten sluisdeuren te doezelen. Mijn handen hangen af, raken het water net niet. Talloze stekelbaarsjes schieten onder mij door, blikkerend in het zonlicht. Nico komt bij mij zitten. Van het meegebrachte witbrood draaien we kleine balletjes, misschien dat grotere prooi zich laat verleiden. Niets. We plassen samen over de bemoste sluisdeur in het water dat daar zeker een meter hoger tegenop staat, als een enorme plons ons doet verschieten. We schreeuwen in koor naar Jan dat er hier een “Knoepert” zit, “miskien wel ’n karper”. We leggen onze hengels opnieuw uit in de hoop met een hongerige vis te maken te hebben…
Nu dit tafereel weer helder op mijn netvlies staat bedenk ik dat Jan ons die lome middag flink te pakken heeft gehad…’

Stof van voorbije jaren
Veel van wat Nico deed of juist niet deed speelde zich dus voornamelijk buiten mijn gezichtsveld af. Terwijl ik graag las, tekende, knutselde, fietste, zwom of schaatste, bij geen van deze activiteiten herinner ik mij Nico. Mijn eerste schaatsoefeningen achter het huis op het Rottegat bijvoorbeeld, staan me nog helder voor ogen. Ik zie Jan die meer beheerst tewerk gaat en zowaar een sierlijk rondje om mij heen schaatst. Ik zie Afra die zich, nog maar nauwelijks op het ijs, kouwelijk terugtrekt, Ria die net als ik haar stinkende best doet maar er ook niks van bakt en net als ik meer naast haar schaatsen staat dan erop tot buurman Jaap zo goed is onze schaatsveters deugdelijk te binden. Maar Nico blijft onzichtbaar. Hoe ik mijn hersenen ook pijnig of welke geheugenlaadjes ik ook opentrek, geen Nico. En dan, als ik, gewapend met mijn e-reader, op de toiletpot zit en eigenlijk nergens aan denk, komt plotseling als uit het niets mijn broertje tevoorschijn. Als in een YouTube-filmpje rent hij mij euforisch tegemoet, onder de leilinden door die, zolang ik mij herinner, een deel van de ramen van het café, toentertijd annex kruidenierswinkeltje, van de familie Loos verbergen. Een grijns splijt zijn gezicht van oor tot oor en voor het huisje van buurman Groot opent hij voor mijn verbaasde gezicht, triomfantelijk a la Fred Kaps, zijn vuist waarin vele munten blinkkeren die samen negen echte guldens vormen! Een heus kapitaal voor ons, kinderen, in de tijd voordat ons land, met dank aan het gas in Groningen, een economische sprint trekt. Hortend en stotend vertelt hij hoe hij met twee dubbeltjes steeds opnieuw geld uit de gokautomaat liet rollen die in het café van Vlaar stond, een voor hem verboden plek die hij desondanks betrad. Want onze Nico liet zich niet altijd door regeltjes stoppen. Vooral niet nadat hij had gezien hoe de visboer een rinkelende stroom munten uit de gokkast had gehaald! Dus bedacht hij als een heuse Tom Poes een of andere list waarvan de strekking mij is ontgaan. Ik herinner mij overigens wel dat ik daarna zijn voorbeeld probeerde te volgen maar dat leidde slechts tot verspilling van mijn karige zakgeld.
En terwijl ik deze herinnering opschrijf dringen zich andere beelden op waarvan ik zou hebben gedacht dat die voorgoed onder het stof van voorbije jaren verdwenen zouden zijn. Nu zie ik Nico thuiskomen, bleek en trillend. Het was kermis, geloof ik. We zitten als gezin rond de keukentafel terwijl moe al klaarstaat om onze avondmaaltijd op te scheppen als de keukendeur zich, met behulp van een krakende deurveer, achter onze broer sluit. Dit keer heeft moe geen groente die mijn broertje niet blieft, het is de hele maaltijd die hij laat staan. We moeten er flink aan trekken om het complete verhaal uit hem te krijgen voordat hij het toilet en zijn bed opzoekt. In Café De Vriendschap had hij met een groepje gelegenheidsvrienden gewed dat hij de meeste gekookte eieren op zou kunnen eten. Nel, de vrouw van kastelein Siemen Loos, wilde wel eieren voor hen koken maar het vriendengroepje vond haar aanbod te begrotelijk voor hun portemonnee dus vertrok men naar het ouderlijk huis van enkele gezworenen. Daar, bij de familie Steur aan de overkant van het café, werd een pan eieren opgezet en in afwachting van het kookproces nog een biertje gedronken. Nadat de eieren waren gekoeld kon de wedstrijd beginnen. Bij acht, negen en tien verorberde eieren per persoon waren er verschillenden afgehaakt. Tot dertien ging het nog tussen Hans en Co Steur en onze Nico. Hans haakte af, Nico en Co waagden zich aan het vijftiende ei.  Natuurlijk had hij moeten stoppen, dat besefte hij achteraf ook wel, maar ja die weddenschap wilde hij persé winnen. Als Co maar niet zo’n taaie tegenstander was gebleken zou hij er wellicht nog goed vanaf zijn gekomen. Pas nadat Nico zijn zeventiende hardgekookte ei naar binnen had gewerkt, werd hij tot winnaar uitgeroepen. Winnaar waarvan? Ik weet het niet meer, maar buikkrampen en misselijkheid waren in ieder geval zijn deel en voor hem betekende het deelnemen aan de weddenschap bovendien het einde van de kermis. Ook daarna had hij nog een paar dagen nodig om te herstellen, maar we hebben het nog vaak kunnen horen: hij kon, zonder onderbreking, zeventien hardgekookte eieren aan!
Alsof mijn hersenen verwant zijn aan het beroemde Russische Matroesjka-poppetje blijkt er nog een herinnering, diep onder de voorgaande, schuil te gaan. Deze ontpopt zichzelf als ik samen met Riky, tijdens een van onze, tegenwoordig bijna dagelijkse, wandelingetjes walnoten raap die door de harde wind van de voorgaande nacht uit de boom waren geranseld. Ook toen was het herfst. Op school vindt de onderwijzer dat het tijd is om boombladeren, boomvruchten, bessen en paddenstoelen te verzamelen waarmee we een kijkdoos gaan bouwen. Al mijn klasgenoten doen mee, ook die van de meisjesschool hebben zich op dit project geworpen dat voornamelijk thuis moet worden uitgevoerd. Sommige openingen die ik in een schoendoos sneed heb ik met gekleurd crêpepapier dichtgeplakt zodat mijn herfsttableau in de kijkdoos feeëriek werd verlicht. Iedereen is enthousiast en we, Ria en ik, proberen munt uit onze kijkdozen te slaan: “Wil je kijken voor ’n duppie?” Ook mijn broertjes en zusjes willen keer op keer hun ogen voor de ronde gaatjes drukken. Nico wil een kijkdoos voor zichzelf en is al begonnen een kleine verzameling herfstspul aan te leggen hij loopt echter tegen een frustrerend probleem: er is geen schoenendoos meer te vinden. Zelfs bij schoenmaker Oudejans krijgt hij nul op zijn rekest. Daarom bied ik aan samen een doos te maken. Met behulp van de keukenschaar en een aardappelschilmesje, plakband en een tube lijm verkleinen we een boterdoos en zorgen voor de benodigde gaten. Mijn broertje stelt vervolgens zelf een tafereeltje samen en omdat zijn doos iets groter is uitgevallen dan die van mij is er ook plaats voor een paar uitgedroogde appels, mos-kussentjes en glanzende kastanjes. De vetvlekken aan de binnenkant van zijn doos reflecteren op een bijzonder manier in het binnenvallende licht, zodat hij zijn kijkdoos veel mooier vindt. Blij en opgewonden rent ermee naar moe en daarna linea recta naar de buren: “Wilt u kijken voor ’n duppie?”
Het is als met die speelkast bij De Stoomboot, zolang ik aan de juiste knop trek rinkelt mijn geheugenbel. Het enige probleem is, waar zit die knop? Maakt niet uit: Nico was een groot liefhebber van appels en peren. Tijdens de maaltijd aan de keukentafel vertelt een van mijn oudere zussen of broers dat bakker Cees de Boer – die tevens de president van de republiek Wadway was, maar dat is een ander verhaal – onze Nico wéér in zijn boomgaard heeft betrapt. Moe wist het want de bakker had zich al eerder bij haar beklaagd: “…ien van jouw joôs klauwt appele bij moin!”. Zijn boomgaard is jaren geleden gerooid, maar bevond zich toen bijna direct achter de bakkerij en liep door tot de sloot rondom het Magdalenakerkje. Via het ondiepe modderslootje voor ons huis, een uitloper van Het Zwet, kon je de fruitbomen gemakkelijk en vrijwel ongezien bereiken. (Het verwonderde mij erg dat Nico dat blijkbaar had aangedurfd. Want wij, Jan en ik, hadden met eigen ogen gezien hoe de bakker vanuit zijn achterdeur met een buks op spreeuwen schoot en er soms één raakte die hij met een touwtje aan een poot hoog in een fruitboom hing. Gruwelijk vonden wij. Bovendien vertelde hij vol bravoure dat, doordat het slechts gewond was, het vanwege het gefladder een extra goeie vogelverschrikker was. Dieven moesten maar uit zijn boomgaard blijven, vond hij. Wij geloofden Cees de Boer heilig en lieten het wel uit ons hoofd ons in zijn tuin te wagen. Stel je voor dat hij een van ons in een boom zou hangen!) Eerder had Cees ons vluchtende broertje woedend achterna geschreeuwd: “…en je bloive voortaan mit je poôte van moin appele en pere of!” Die keer, zo vertelde mijn zus of broer, had Nico, uiterst stil en op zijn hoede, de trapleer van De Boer opgehaald, die altijd bij het schuurtje stond – een vervallen gebouwtje dat toentertijd half verscholen in de boomgaard stond – en die vervolgens onder een van de fruitbomen gezet. Daar bovenop, in wankel evenwicht, had hij, met zijn handen op zijn rug, de begeerde vrucht zodanig tegen een tak gemanoeuvreerd dat deze klem kwam te zitten zodat hij er een hap uit kon bijten. Op die manier gehoorzaamde mijn broertje zowel aan het gebod van de bakker als aan zijn lust in een zoet en sappig stuk zomerfruit, ook al was het maar een mondvol. Later werd het verhaal aangedikt, hoe kan het ook anders met zo’n schelmenstreek? Toen heette het dat, door toedoen van Nico, links en rechts aan de perenbomen van Cees half afgevreten vruchten hingen. Het heeft mij altijd gespeten dat ik er slechts over heb horen vertellen en het Nico niet met eigen ogen heb zien doen!
En terwijl ik in gedachten over het Padje terug naar huis loop, zoals zo vaak met een halfvolle emmer nog warme koemelk zwaaiend, afwisselend aan mijn rechter en linkerhand, de huiskamerramen van het huis van Groot passeer, herinner ik me hoe Nico mij komt halen. Ik vraag naar het waarom en hij zegt: “Je moet dat zien!” Ik loop met hem mee over het klinkerpaadje – het was opnieuw kermis, weet ik nu, en de schemering was al ingevallen. We lopen om het vervallen huis waarin voorheen het oude echtpaar Groot woonde bij wie wij kinderen elke kerst de mooiste kerstgroep van de buurt mochten bewonderen. Via het rommelige pad bereiken we de achterdeur die half in de scharnieren hangt. Nico gaat mij voor de halfduistere bijkeuken door, de kaal gesloopte keuken en vandaar naar het gangetje bij de voordeur. Hij wijst me op een gat in de vloer en beklimt de trap. Ik volg hem op de hielen. Boven gekomen valt het nog schaarse daglicht door de kieren van het luik dat voor het raam in de voorgevel hangt. In de kleine ruimte, dat vermoedelijk een slaapkamer is geweest, stinkt het geweldig. Een vormloze hoop blijkt bij nadere beschouwing een oud matras. Er ligt een laag oude kranten en tijdschriften en overal staan en liggen flessen, sommigen nog gedeeltelijk vol. Sterke drank, vermoeden we. De stank van belegen stront en pis is het sterkst in een hoek van de kamer. Nico en ik vroegen ons af of het een hangplek van een zwerver zou kunnen zijn. Maar die verwacht je toch niet in Wadway? Ik vertel hem over de mannen, ze zagen eruit als kermislui, Amsterdammers dacht ik, die een mislukte poging hebben gedaan nog wat van het huis te maken. Dit moet hun bivak zijn geweest. We besloten Nico’s ontdekking voor ons te houden en voor zo ver ik weet werd deze rotzooi met het puin van het gesloopte huis afgevoerd.

Voetballer in hart en nieren
Als je een jaar of zeven was, werd je bij ons thuis groot genoeg geacht om serieuze klusjes uit te voeren. De meisjes werden dagelijks ingezet bij het huishoudelijk werk, de jongens kregen meest grovere karweitjes zoals het straatje schrobben, de schuur schoonmaken, anemonen wieden en zeven, bonen plukken, rabarber snijden (die naast de papaverbollen aan de slootkant stonden en vaak vergeven waren van de slakken!), enzovoort. Ook gingen wij, jongens, naast dagelijkse klusjes als het schillen van de piepers, al snel helpen bij buren en kennissen in onze omgeving (zaaien, poten, wieden, uitdunnen, oogsten en plukken en als ik geluk had, als de regen de hele dag met bakken uit de hemel viel, in de schuur bij buurman Jaap aardappelkisten repareren. We ontvingen voor onze hulp een kleine beloning – dubbeltjes en kwartjes – die we altijd thuis hebben afgedragen (de meisjes op hun beurt hielpen in huishoudingen van tantes of kennissen). Op zijn beurt vond Nico emplooi bij een bloembollenteler, ik meen Jan Komen. Het klikte heel goed tussen hen. Mijn broertje was altijd even blij en enthousiast als hij van ‘zijn werk’ thuiskwam. Zo kreeg Nico aardigheid in het telen van tulpen en hyacinten. Vaak stonden onder in kasten en in koele donkere hoekjes potten met zijn bloembollen en had hij het druk met ervoor zorgen dat ze voldoende vocht, lucht, licht, voeding en warmte kregen. Trekken (vervroegd in bloei laten komen), noemden ze dat tamelijk ingewikkelde proces – vooral de afstemming tussen voldoende kou en warmte, luisterde nauw. Nico zorgde ervoor dat zijn bloemen op een vooraf bepaalde datum op z’n mooist zouden zijn. In het dorpshuis van Spanbroek werd namelijk jaarlijks een floriade-tentoonstelling gehouden. Voorafgaande aan deze expositie, waaraan meest volwassen, die vaak ook professionele bloembollentelers waren, deelnamen, werden de ingezonden producten door keurmeesters beoordeeld. Nico was meestal een van de jongste deelnemers. Minstens een keer had mijn broer succes en won een van de hoofdprijzen. Wat was hij trots, en terecht!
Ondanks mijn tuintje had ik persoonlijk meer met dieren zoals konijnen, duiven, muizen en hamsters (grappig dat ik dit zinnetje op 4 oktober, Werelddierendag, schrijf). Toen ik voor de eerste keer van huis ging konden mijn konijnen niet mee. Dat was nog een heel ding voor mij want er waren een paar dieren bij waar ik heel close mee was. Nico, hij was toen twaalf, wilde wel voor ze zorgen zodat ik ze aan hem heb gegeven, samen met de hokken, de ren, en het voorradige stro en voer. Voor zover ik weet heeft hij goed voor hen gezorgd.
Nadat ik ons ouderlijk huis verruild had tegen het kosthuis bij Boukje en Wout in Medemblik, kreeg ik nog veel minder mee van Nico (en van mijn andere broers en zussen). Thuis veranderde er veel: al In de loop van het eerste jaar van mijn afwezigheid schaften mijn ouders hun eerste televisietoestel aan, met geld dat voornamelijk door moe, met hulp van mijn zusjes als die niet elders nodig waren (enkele keren hielp ik ook mee), bijeen verdiend was door het pellen en tellen van duizenden kilo’s bloembollen bij Broers en andere bloembollentelers. Als ik dan thuiskwam, meestal vroeg op een vrijdagavond, zat iedereen gefixeerd voor de buis. Vooral toen televisiekijken nog een nieuw fenomeen was, ging dat ten koste van aandacht voor elkaar en samen spelletjes doen: “O, ben jij er ook weer?” kreeg ik soms na meer dan een uur als begroeting te horen. Nico was vooral gek op voetbaluitzendingen zodat ik hem op vrijdagavonden bij mijn thuiskomst regelmatig voor de televisie aantrof, vaak nog in zijn vuile werkgoed, liggend in een van de meer gemakkelijke stoelen en zijn voeten gestoken in vuile sokken op het salontafeltje. Tijd om zich even te wassen gunde hij zich niet, want hij kon zich helemaal verliezen in een voetbalwedstrijd zoals ik in een boekenverhaal kon verdwijnen. Ik kan me Nico niet herinneren met een boek. Of hij ook van lezen hield weet ik niet.
Ja, Nico was van jongs af aan een voetballer in hart en nieren. Maar hoe ik mijn hersens ook uitwring, ik kan mij niet herinneren dat ik hem op een voetbalveld in actie heb gezien. Feit is dat hij, toen hij een jaar of elf, twaalf was, ontstekingen in het scheenbeenvlies van een van zijn benen kreeg. Die wilden maar niet beteren. Het werd zo erg dat er stinkende open wonden ontstonden. Soms gilde Nico het uit vanwege de pijn die verschrikkelijk moet zijn geweest, vooral als moe met hem bezig was (zij fungeerde niet alleen als moeder, huishoudster, kok, kleermaker en kapper maar ook als zelfbenoemd verpleegkundige). Ik zie hem nog in een van de huiskamerstoelen zitten, zijn benen op een andere stoel rustend, zoals ik niet lang daarvoor mijn etterende knie ook op twee stoelen moest laten genezen. Ik had erg met mijn broertje te doen maar kon dat nauwelijks aan hem laten blijken, zo moeilijk vond ik het om hem zo te zien lijden. Zoals alle kinderen was een van zijn eigenschappen dat hij over onvoldoende geduld beschikte. Helaas ging Nico weer veel te vroeg met zijn clubgenoten trainen zodat het onvermijdelijke gebeurde: opnieuw vielen er etterende gaten in zijn scheenbeen. Werkelijk afschuwelijk. Ik herinner me nog mijn angst dat het nooit meer over zou gaan.
Later voetbalde Nico zelf niet meer, waarschijnlijk omdat deze blessure hem daarbij steeds de voet dwars zette, hij moest immers voortdurend oppassen voor overbelasting. Toen is hij met zijn begeleidings- en trainingswerk begonnen. Ook daarin werd hij fanatiek en gedreven als een huzaar-majoor. Zo heeft hij heel veel voor de jeugdvoetbalelftallen van Spanbroek kunnen betekenen.
Het zelfstandig bouwen van hun eigen huis vergde misschien wel te veel van hem, ben ik bang. Ik meen dat daardoor het bekende probleem opnieuw de kop opstak. Een bezoek aan het ziekenhuis bracht toen een longontsteking aan het licht waardoor zijn conditie te slecht werd geacht om hem met zijn scheenbeenvliesontsteking te helpen. Hij werd doorverwezen naar het ziekenhuis in Amsterdam waar al spoedig vast kwam te staan dat de in Hoorn geconstateerde longontsteking in werkelijkheid longkanker was. Men heeft nog geprobeerd de tumor te verwijderen maar kon niets meer voor hem doen. In Nijmegen, we woonden toen in de Dukenburgse wijk Lankforst, ontvingen we dit verpletterende nieuws telefonisch.
Je kunt in je leven pech hebben en geluk. Voor de meesten van ons zijn beiden redelijk in evenwicht. Dus, vroeg ik me in die dagen af, hoe het kan dat iemand zoals onze Nico voornamelijk pech ondervindt? Zou zijn geboortenummer dan toch een negatieve invloed op hem hebben gehad?

Een grote roestige spijker
Toen Jan de lagere school in Spanbroek verruilde voor de ambachtsschool in Alkmaar veranderde er veel in onze broer-broer relatie. Voor hem begon iedere schooldag in het vervolg met twintig kilometer fietsen door voor ons nog betrekkelijk onbekend gebied en nieuwe ervaringen en klasgenoten waaraan ik part nog deel had, voor mij volgden nog twee lange jaren op dezelfde jongensschool, in plaats van één omdat ik in de vijfde klas was blijven zitten, waarschijnlijk vanwege vele weken schoolverzuim door een ontstoken knie. De invulling van onze vrije tijd veranderde daardoor drastisch. Jan had bijna dagelijks zijn huiswerk en bovendien mocht hij op de zaterdagen voor het timmerbedrijf van Huibers hand en spandiensten verrichten. Daar tekenden mijn twee lange huiswerk-loze-schooljaren maar schraal tegen af. Wat was ik jaloers!
Op veel dagen van mijn lagere schoolperiode wandelden we in een soort van gezinsgroepje naar en van school, maar ook vaak in een lintvorm doordat er onderweg door zusjes of broertjes getreuzeld werd. Misschien hadden wij weinig geduld, feit is dat Jan en ik regelmatig samenliepen, vooral in de pauze tussen de ochtend en de middaglessen. Ongeveer vanaf de tijd dat ik bij meester Van Gemert in de derde klas zat, waren dat voor ons mooie gelegenheden om samen hard te lopen, alles in het kader van atletiekwedstrijden waarover we via de distributieradio hoorden, zoals over Wim Nouta als die weer eens de snelste op de 200 meter was geweest. We moesten vooral leren goed om te gaan met onze ademhaling en onze snelheid verstandig verdelen: niet te hard, zoals we in het begin deden, en elkaar niet opjutten met tussensprintjes want dan hielden we het niet lang vol. Ondertussen oefenden we op het bleekveld thuis het starten en sprinten op een korte afstand. Al spoedig lukte het ons om nagenoeg de hele afstand tussen school en huis rennend af te leggen. Dat betekende dat we voor het middageten sneller thuis en weer op school waren. Aan het einde van de dag hadden we meer behoefte aan een beetje rondlummelen en aankloten: slootjes springen of ijsschotsen trappen als het daar hard genoeg voor vroor. Alles om maar niet te vroeg thuis te zijn want moe had altijd wel iets voor ons te doen waardoor er minder tijd over zou blijven om te spelen.
In het voorjaar van 1958 gebeurde het dat ik samen met Nico van school naar huis liep. Omdat ik eraan gewend was dat hardlopend te doen probeerde ik mijn broertje daartoe aan te moedigen. Na een paar kleine stukjes gaf Nico er echter de brui aan. Het vurige zwarte paard dat zijn hoeven luid en ritmisch in de vette klei van de wei van Witteberg stampte, dezelfde hengst die kort daarvoor nogal wat opwinding in het dorp had veroorzaakt nadat hij uit het weiland was ontsnapt en op hol geslagen, bracht mij op een idee, samen met het touw in mijn zak. Ik stelde mijn broertje een spel voor. Hij kon bijna niet wachten tot we het touw als een leidsel over zijn nek en onder zijn armen hadden geleid. Nadat hij Ingespannen was brieste en steigerde Nico bijna net zo vurig als de hengst van boer Witteberg. Vanuit een denkbeeldige sjees, zo een waarmee Kees Ep iedere zondag naar de kerk ging, mende ik het paard door een even denkbeeldig berggebied. Ik liet het afwisselend sneller en langzamer lopen, naar links of rechts gaan al naar gelang het nauwe bergpad ons voerde, of liet hem voor een uitspanning stilstaan en riep na enkele seconden “vort sik, vooruit luie knol” om hem weer tot draven aan te zetten. Al snel wilde Nico de rollen omdraaien. We gingen zozeer in ons spel op dat ik in mijn opzet slaagde, we renden! Nico vuurde zijn paard zo fel aan dat hij en zijn sjees het nog maar net konden bijhouden, tot hij het met een ruk inhield, van richting liet veranderen en schreeuwde dat zich een diep ravijn naast het pad opende. We hadden er de grootste lol in totdat het paard de grip onder zijn hoeven verloor waardoor het een geweldige schuiver maakte. Het toeval wilde dat de straatstenen kort daarvoor waren vervangen door asfalt afgedekt met een losse grindlaag. Gelukkig droegen we geen lange broeken zodat ik thuis niet op m’n kop zou krijgen. De schaafwonden in mijn handen vielen mee, maar mijn knie was er erg aan toe. Eindelijk thuis peuterde moe nog heel veel steentjes uit mijn linkerknie en maakte de boel met een dot watten en jodium schoon. Ik dacht daarmee de ergste pijn gehad te hebben maar al spoedig ging de boel aan het zweren. Ondanks de zorg van onze huisarts bleef mijn knie etter produceren en moest ik mijn been wekenlang laten rusten op een stoel. Geen school voor mij, maar gelukkig hield ik van lezen en hoefde me niet kapot te vervelen. Jan zorgde trouw voor een nieuwe voorraad boeken uit de bibliotheek van het dorpshuis bij de kerk.
In die jaren hadden we veel thuiswerk. Met de opbrengst daarvan kocht moe onze sinterklaascadeautjes, zoals ik later begreep. Het werk bestond uit het ‘lezen’ van allerlei soorten bonen en erwten – we moesten met onze vingers de beschadigde en zieke exemplaren er tussenuit pikken, waarna alles, de goede en de slechteriken, weer door de zaadhandel werd opgehaald. De peulvruchten werden aan en afgevoerd in jute zakken die vijftig kilo wogen (er bestond toen nog geen Arbowetgeving). De zakken lagen hoog opgetast in de schuur. Die stapel vormde voor ons kinderen een prachtige speelplek. We beklommen ze alsof wij geiten en de zakken alpen waren. De waaghalzen onder ons sprongen van de hoogste toppen naar beneden. Na het avondeten en de afwas werd er een zak leeggestort op de verlengde keukentafel. We hadden allemaal een schaal of pan op onze schoot waarin we de schone bonen of erwten schoven. Onderwijl stond de distributieradio afgestemd op een zender waarop een hoorspel werd uitgezonden. Spannend, gruwelijk spannend soms, zodat we onze adem inhielden en onze handen stil zodat moe ons geregeld maande toch vooral door te werken! Maar soms kon je door het geratel van bonen of erwten in een lege schaal niet goed verstaan wat er gezegd werd. Dan kon je weleens horen “Moe, zeg er nou ’s wat van, zeg dat ze een laagje in hun schaal laten!”
Nico hoorde nog bij ‘de kleintjes’ die nog niet verplicht waren mee te werken, of rekende zich daaronder, toen er gekrijs uit de schuur opklonk als van een biggetje dat van zijn balletjes werd ‘verlost’. We renden naar de plaats des onheils en zagen ons broertje als een slordig gekruisigde tegen de plankenwand van de schuur hangen. Nico had een sprong gewaagd van de hoogste stapel. Hij was als een arend met gespreide vlerken naar beneden gesprongen. Onderweg kwam hij echter een grote roestige spijker tegen die diep in zijn hand was gedrongen en het vlees inscheurde tot pezen en botjes voldoende weerstand boden. We waren allemaal diep onder de indruk en vanaf dat moment werden de bonenzakken tot verboden speelterrein verklaard. Natuurlijk negeerden we dat verbod. Maar we hadden wel van Nico geleerd en keken dubbel uit onze doppen dat ons niet hetzelfde zou overkomen!

Slaapwandelen
Ons huis onderging een ingrijpende verandering toen ik veertien was. In het vroege voorjaar van 1961, Bruun was nog maar net getrouwd, had Rem de bouwtekeningen klaar en goedgekeurd gekregen en was hij, samen met de vriend van Lida – Cees Stam – bezig met het timmerwerk aan de buitenwanden van een nieuwe opbouw over het oude huis en de later aangebouwde keuken, badkamer en wc. Het werd als prefab uitgevoerd in de timmerfabriek van Kuin, de werkgever van Lida’s vrijer. Met de buren was afgesproken dat wij gebruik mochten maken van een groot deel van de zolder. Daar werden de meubels en spullen opgeborgen die bewaard moesten worden, dozen en koffers met kleding, dekens en bed verschoningen en werd met behulp van zeilen en karpetten slaapruimte afgescheiden voor de kinderen die nog thuis waren (tien tot soms dertien personen). Na deze ‘verhuizing’, het was inmiddels volop voorjaar en warm, mochten Jan en ik de dakkapellen en het dak slopen waarbij we zoveel mogelijk herbruikbare materialen spaarden. Dat gold niet voor de dakpannen. Deze waren versleten en kletterden we enthousiast naar beneden. Heerlijk! Nico en onze andere zusjes en broertjes reageerden uitgelaten en waren zwaar onder de indruk over onze noeste arbeid. Schrijlings op de nok van het dak gezeten voelden wij ons als koningen uitkijkend over hun onderdanen. Voor vele spreeuwen en mussen was er echter weinig lol te beleven. Integendeel, voor hen kwam een abrupt einde aan een huiselijk leventje onder diezelfde versleten dakpannen. Zij werden niet in staat gesteld om hun gezinnen naar buren te verhuizen en degenen die onvoldoende tijd hadden gehad hun jongen uit te doen vliegen verloren op die dag hun kleintjes.
Toen hij nog een kind was stootten Nico en verboden elkaar net zo sterk af als magneten met gelijke polen, zodat, nadat de zolder vanwege de sloopwerkzaamheden voor ‘de kleintjes’ tot verboden terrein was verklaard, ons toen tienjarige broertje al snel zijn hoofd breed grijnzend door een van de gaten in het dak stak en ons wees waar hij kalkedodders (kale jonge vogeltjes) vermoedde. Wij lichtten dan de door hem aangewezen dakpan en dan was het meestal raak. Het is niet moeilijk me zo’n naakt kuikentje in mijn hand voor te stellen. Stoppelig als een augurk, week en vochtig warm en het fel kloppende hartje. En de gruwel nadat ik het met zo’n groot mogelijke vaart naar beneden gooide om zo snel mogelijk een einde aan dat kansloze leven te maken. Wat konden wij anders? In deze tijd zouden we de verbouwing een paar weken hebben uitgesteld, maar in die jaren beschouwden we mussen en spreeuwen als een plaag gelijk aan kakkerlakken en ratten en muizen.
Terzijde: een paar weken voor de sloop werden de acht delen van de opbouw, die reeds waren voorzien van raamkozijnen, door mij en Peter Koppies, een schoolvriend die in de huisschilderklas boven mij zat, in de carboleum gezet. Dat gebeurde in de huiskamer van de vervallen boerderij van Kees Ep die inmiddels in een Hoorns oudemannenhuis was opgenomen. Nu ik eraan terugdenk hoor ik weer het piepen van de bokkenpoten over het ruwe hout. En herinner ik me hoe zwaar die prefab wanden waren en hoe moeilijk het was de verf te verdelen; op het einde van die bewuste zaterdag zagen we eruit als beesten! Het echte schilderwerk begon nadat de montage en alle timmer- en installatiewerk aan de nieuwe etage was gedaan. Ik hielp mijn moeder met deze klus, of zij hielp mij. Hoe dan ook, zij stelde voor om me ziek te melden zodat we eerder aan de inrichting konden beginnen. Haar argument was dat de praktijklessen gewoon door zouden gaan. Niet op school maar thuis. Natuurlijk zag ik geen bezwaar. Ik vertelde haar niet dat ik vaker verzuimde, gewoon omdat ik geen zin had in weer een dag op school, om met Peter klusjes te kunnen doen of om lekker te vissen in het Hoornse Hop. Daar zou zij nog wel achter komen. Nog geen uur later belandde ik in de keuken van de familie Vlaar, die als eerste in onze buurtschap over telefoon beschikte. Onder het wakende oog van Johannes XXIII, wiens beeltenis boven het toestel hing, voerde ik mijn eerste telefoongesprek. Stikzenuwachtig was ik, zodat mijn vinger af en toe uit de kiesschijf schoot, maar waardoor mijn stem geloofwaardig ziek klonk! Een aantal weken later toen ik weer als tevoren dagelijks naar school fietste, moest een van mijn ouders op school komen. Het gesprekje werd in mijn bijzijn gevoerd en ging over het verzuim dat belangrijk groter was dan de weken die moe mij had thuisgehouden. Het verbaasde mij dat zij daar geen vragen over stelde en mij er nooit meer op heeft aangesproken maar ik kon daarna nooit meer zo gemakkelijk verzuimen omdat ik het gevoel had dat ik dan direct door de mand zou vallen.
Na deze ingrijpende verbouwing moesten we allemaal wennen aan een andere slaapplaats. Er waren twee meisjesslaapkamers, een ouderslaapkamer, een logeerkamer die naast een bed ook was voorzien van een wastafel met koud en warm stromend water, zodat we onszelf niet langer in de keuken hoefden te wassen. In de jongenskamer was ruimte voor twee tweepersoonsledikanten en een eenpersoons. Alle kamers waren voorzien van vaste kasten evenals de overloop waarboven zich bovendien een kleine vliering bevond. Rem sliep alleen in het ledikant waarvan de zijkant kon worden opgeklapt, tante Trien Bakker, een oudere zus van moe, gebruikte dat gedurende een aantal jaren als ziekbed. Na het huwelijk van Rem hebben verschillende zwagers in dit bed gelogeerd. Jan en Willem sliepen in het middelste en Nico en ik in het bed aan de raamkant.
Mijn broertje ging gewoonlijk eerder naar bed dan ik. Niet alleen omdat hij nu eenmaal jonger was en meer slaap nodig had, maar ook omdat ik meestal nog zoveel mogelijk boek probeerde te verslinden. Dat lukte zolang moe maar niet “bedtijd!” zei of “wordt ’t niet ‘s tijd?”, iets waaraan zij niet altijd toekwam omdat zij zelf meestal ook in een boek verdiept was, terwijl de rest van het gezin al op één oor lag. Een keer gebeurde het dat ik bovenaan de trap door Jan werd gemaand om stil te zijn. Nico zat bovenop de wastafelkast met de lampetkan tussen zijn benen. Het leek alsof hij zichzelf in een rooiboot waande. Volgens Jan was hij aan het slaapwandelen. Dat overkwam hem wel vaker. We mochten hem niet uit zijn droom wakker maken omdat we toen geloofden dat zoiets voor de slaapwandelaar slecht kon uitpakken. Zo stonden we voor mijn gevoel uren op het koude zeil voordat Nico vanzelf wakker werd en bevreemd om zich heen keek, terwijl in het middelste bed ons jongste broertje door alle commotie heen sliep. De andere dag wist Nico nergens van. Vlak voor zijn pubertijd overkwam hem dat vaker. Het verhaal ging, ik heb het zelf niet gezien maar geloofde het onmiddellijk want hij haalde in zijn slaap soms de vreemdste capriolen uit, dat hij eens dwars door de donkere tuin van de buren struinde. Dat werd onze moeder te gortig. Zij bedacht een natte dweil voor zijn bed te leggen, dan zou hij vanzelf wakker worden. Maar ons broertje stapte er eenvoudig overheen. Volgens mij moest die dweil aan het voeteneind van het bed liggen want hij sliep tussen mij en de buitenwand zodat hij, als hij eruit moest, dat over die kant deed. Of het hem van zijn nachtwandelingen heeft verlost weet ik niet, het zal wel vanzelf zijn overgegaan.

Drift van de pubertijd
Tenzij er iets bijzonders was of iets feestelijks te vieren gebruikten we nagenoeg alle maaltijden in de keuken. Gezamenlijk, ook al viel het niet altijd gemakkelijk om een plaatsje te vinden. De tafel kon dubbel zo lang worden gemaakt. Het tafeldekken voor de middag en avondmaaltijd, begon altijd met het uittrekken van de verlengstukken die wij om een onduidelijke reden kleppen noemden – die kleppen waren overigens ook handig om te kunnen tafeltennissen, iets dat mijn broer Jan en ik graag deden (om voldoende speelruimte te creëren plaatsten we de tafel diagonaal). We bezaten voldoende stoelen maar in de jaren rond mijn negende verjaardag bood zelfs de verlengde tafel onvoldoende ruimte als we allemaal thuis waren. Bij ‘volle bak’ zaten kleintjes, voor zover zij in staat waren zelf te eten, op een bankje met het bord op schoot onder de bordenkast, daarnaast konden maximaal drie van ons een plaatsje aan het aanrecht vinden. Daar zat je bijzonder ongemakkelijk met je knieën tegen een aanrechtkastje. Nico had daar iets op gevonden, voordat hij achter zijn volle bord ging zitten zette hij stiekem het deurtje open, of, als hij bij het ladenblok zat, schoof hij de onderste lade naar buiten waar hij dan zijn voeten op kwijt kon. Wij volgden het voorbeeld van Nico, maar als moe je betrapte kreeg je een reprimande. Die kans was niet erg groot. Moe zat, voor zover ik mij herinneren kan, altijd met haar rug naar het aanrecht. De plaats van pa was ook altijd aan die kant van de tafel, maar van hem hadden we niets te duchten (pa soms wel van moe als zij weer eens niet van hem af kon blijven). Tenzij we naar de zin van moe onze borden niet snel genoeg leegaten, dan trad pa weleens op en schepte hij de warme vla over het restje van je prak. Het overkwam Nico geregeld. Als uit het niets herinner ik me mijn boosheid op die man, die gewoonlijk geen vlieg kwaad kon doen, toen het mij overkwam dat hij yoghurt uitgoot over het restje zorgvuldig opzijgeschoven brokjes varkensvlees waaruit zoveel haren staken dat een kwastenfabrikant er een blokwitter mee had kunnen fabriceren. Een half uurtje later in de boet, het gedeelte waar het paard had gestaan, stootte ik mijn tenen aan een straatsteen. Ik dacht niet na, pakte het op en smeet het door de ruit. Stom, want ik moest het zelf herstellen!
Voor het ontbijt wachtten we niet op elkaar. Als je zover was ging je aan tafel. Toen we nog te jong waren om onze eigen boterhammen klaar te maken, voor het ontbijt en of voor het lunchpakketje op dagen dat we vanwege slechte weersomstandigheden op school moesten overblijven, deed moe dat voor ons, nadat zij verschillende keren onderaan de trap had geroepen dat het de hoogste tijd was (over een andere wekker beschikten we niet!) Later moesten we onszelf helpen en kwam het veelvuldiger voor dat moe nog niet was opgestaan voordat wij uit bed kwamen. Dat had ook voordelen. Zo kon je zelf uitzoeken in welk stuk van de krant – ander papier was meestal niet voorhanden, plastic zakjes moesten nog worden uitgevonden en lunchtrommels waren voor ons zoiets als luchtkastelen – je jouw boterhammen verpakte. Moe keek wat dat betreft nergens naar; meestal was het platte tekst, maar het kwam geregeld voor dat uitgerekend een kopie van een zware koptekst of, nog erger, een spaarzame krantenfoto op een van jouw ‘stikken’ was afgedrukt. O, wat had ik daar een hekel aan! Aan die zelfzorg kleefden overduidelijk ook nadelen; als moe in de keuken ontbrak, in haar rol van scheidsrechter die ons het equivalent van een gele of rode kaart kon uitreiken, kon een ruzie gemakkelijk escaleren. Bijvoorbeeld om ‘problemen’ zoals wie de borden op tafel zet, het brood snijdt, de afwas doet of afruimt. Zo ontwikkelde zich op een van de ochtenden waarop de arbiter ontbrak een grote ruzie tussen Nico en mij. Geen idee meer waarom. Misschien vanwege de thee, of het ontbreken daarvan. Mijn broertje stond in ieder geval aan de andere kant van de tafel met de volle theepot in de aanslag, de thee had hij kort daarvoor opgegoten met kokend water uit de snelkoker. Woest was hij. Ik was bang dat de deksel van de pot zou schieten, zo onbeheerst zwaaide hij ermee. Kijk uit met die hete thee, wilde ik hem toeroepen maar daar kwam ik niet meer aan toe omdat ik schielijk weg moest duiken. De theepot zeilde rakelings langs mijn hoofd en knalde net naast de klok tegen de muur waarbij de kokendhete twee alle kanten op spatte.
Onderling hadden we niet vaak ruzie en we legden het meestal weer snel bij. Het lag niet in zijn en mijn aard om lang boos en nukkig te blijven. Als er iets was en woorden ontoereikend vocht je het direct uit. We waren broers, ook al ontwikkelden wij ons min of meer los van elkaar en trokken we uiteindelijk ieder een andere kant op. Maar, gelijk al onze broers en zussen, namen we het altijd voor elkaar op als de ander belaagd zou worden, ongeacht de aanleiding. Een enkele keer liep zo’n actie onbedoeld uit de hand. Uit een van mijn hardloopverhaaltjes:
‘… Zo moest mijn vader zich op geitenwollen sokken, zijn klompen moest hij achterlaten in het hossie, thuis bij de burgermeester van Spanbroek verantwoorden. Omdat ik diens zoon een tand uit de mond had geslagen. Dat zit zo: ik zit (voor de tweede keer) in de vijfde klas van de lagere school. Nico, mijn broertje in klas twee, bezit een weelderige bos rood haar. Hij loopt, omdat de schoolbel dat toestond, vrolijk voor mij uit. Aan de straat zal hij op mij wachten om samen naar huis te gaan. Mijn vriend Hans en ik zijn net het lange schoolpad afgeslenterd als wij een geweldige herrie horen: er wordt gevochten! Dat veroorzaakt opwinding, wij zijn namelijk jongens. Mijn jongere zusje Ria, nog veel meer en mooier rood haar, trekt aan mijn arm en gilt iets als: ‘Die joôn zit Niek vreselijk te treiteren om z’n haar!’ Dan pas zie ik dat mijn broertje, die ongelofelijk driftig worden kan, met een veel grotere jongen knokt. Dat ontsteekt mijn woede. Ondersteund door een flinke portie adrenaline, trek ik zijn tegenstander aan diens mouw naar mij toe, haal uit en laat mijn vuist in zijn gezicht landen. De jongen wankelt gillend achteruit. Het is Peter, mijn papperige klasgenoot wiens vader burgemeester is. Mijn woede is nog gaande dus moet ik hem hard onder zijn reet schoppen. Ik spuug hem toe dat hij een lafaard is. Hij spuugt schuimend bloed en een stukje tand, en schreeuwt huilerig: ‘Je zult er meer van horen!’, of iets van die strekking. Mijn vader wist wat er speelde. Het verhaal werd na schooltijd in geuren en kleuren verteld: ‘En Moe, Sieme vloerde ‘m in één klap!’ Ik heb geen idee hoe het onderhoud met dé notabele van het dorp is afgelopen. …’


Een onvermijdelijk slot
Een caravan op het erf van ons ouderlijk huis. Vanaf het moment dat ik dit zinnetje opschreef bleef het haken als een klit in de vacht van een Konik-paard in de uiterwaard. Het liet mij niet meer los. Het was wel niet zo hinderlijk als het papiersneetje in de top van mijn rechterwijsvinger, onlangs, maar evengoed duidelijk voelbaar als een kriebelend fruitvliegje dat zich wil bevrijden uit de haartjes op mijn arm. Zoveel wist ik zeker, het heeft met die caravan te maken, maar waarom of hoe? Dat sneetje heelde vanzelf en zo’n vliegje kon ik voorzichtig tussen duim en wijsvinger nemen om het vrij te laten vliegen, maar dat ging niet op met dat regeltje tekst en wat dat mij wilde zeggen. Om daar achter te komen was er een wandeling nodig, een die Riky en ik tegenwaardig geregeld maken. Vijf kilometer over de Tempelstraat, Van Heemstraweg, Kloosterstraat, Waalbandijk en Hommelstraat waarbij we het over van alles en nog wat hebben, ook over Nico natuurlijk. Het gebeurde op het moment dat we langs de stukken boomstam liepen die onlangs uit Het Roodslag zijn gekapt. Er lag aanvankelijk een lange stapel maar inmiddels zijn de meeste van die blokken weggehaald. Nog een stuk of tien resteerden er samen met de vervagende moeten in de aarde van de wallekant langs de Kloosterstraat die herinnerden aan de rest. Dat was het! Terwijl we langs de resterende blokken hout wandelden herinnerde ik me een bezoek aan mijn ouders in Wadway, eind 1973 of begin 1974, toen moe ons informeerde over het nieuwe huis van mijn broer en zijn gezin. “Dus ze wonen niet meer in die caravan?” vroeg ik nog onnadenkend. “Nee”, antwoorde mijn moeder verbaasd, “die staat er toch niet meer!” Daar begreep ik niets van. Vlak daarvoor had ik onze auto in het bleekveldje geparkeerd en gewoontegetrouw op de klok van de Magdalenakerk gekeken waarbij ik de caravan van Nico en Lida niet eens had gemist. Ik ben toen nog naar buiten gelopen en zag de lege plek naast het huis, waar slechts diepe sporen van het tijdelijke onderkomen waren achtergebleven.
Niemand van ons wist dat dit ons laatste bezoekje, de laatste overnachting in mijn geboortehuis in Wadway zou zijn. In het voorjaar dat zich toen al aankondigde verkochten mijn ouders het huis aan de huidige bewoners, die daar inmiddels al bijna vierenveertig jaar wonen. Onvoorstelbaar, ik voelde mij ontheemd, ook al woonde ik op grote afstand. Het huis stond er gewoon, veranderde weliswaar van uiterlijk maar onze voetsporen werden overschreven door die van andere mensen. Jaren nadien heb ik pas afscheid kunnen nemen. Dat gebeurde nog tamelijk onverwacht tijdens de jaarlijkse Dekkertjes-reünie op 12 september 2010, één dag voor de zesenzeventigjarige huwelijksverjaardag van pa en moe, als zij nog hadden geleefd. Ook dat fenomeen, de jaarlijkse reünies met het gezin, lag toen nog verborgen in de toekomst. We wisten nog veel meer niet. Bijvoorbeeld dat Nico toen nog zoveel leed en zo weinig jaren toebedeeld kreeg.
In het bijzijn van zijn kinderen heb ik geholpen Nico’s lichaam van zijn ziekbed te tillen om het in de kist te leggen. Dat karwei had ik gemakkelijk alleen kunnen doen want de laatste dagen van zijn leven was hij nog maar een schim van zichzelf. Wat vond ik dat fijn dat ik dat heb mogen doen! Het was een ervaring die ik nooit zal vergeten.
Kort voor zijn overlijden hadden Riky en ik hem nog bezocht. Hij lag toen in de huiskamer onder het raam zodat hij vandaaruit naar de straat kon kijken. We spraken met hem over de dood die nog meer aanstaande was dan ik toen vermoedde. Het moeilijkste vond hij dat hij zijn kinderen los moest laten, die toen nog maar vier en zeven jaar oud waren. Moeilijker nog dan het loslaten van zijn leven, terwijl hij zelf nog zo jong was! We konden aan hem zien dat hij dit waardeerde, dat hij zich zo open over zijn zorgen en het naderen van zijn dood kon uitspreken. Hij moest het gesprek onderbreken omdat hij moest poepen - ik zeg het maar zoals het was. Blijkbaar wilde hij niet van ons vragen om hem even ruimte te geven, in plaats daarvan kroop hij onhandig over het voeteneinde van zijn bed, zoals hij dat thuis in Wadway zo vaak had gedaan. Ongewild gaf hij ons daarbij uitzicht op zijn blote billen. Nou, ja, billen? Daarvan en van zijn benen en de rest van zijn lichaam, was niets over. Botten bekleed met in plooien afhangend vel! Ik weet nog dat ik mij op datzelfde moment herinnerde hoe vaak ik tegen diezelfde billen had aangelegen toen wij gedurende enkele jaren - van mijn vijftiende tot mijn zeventiende jaar - hetzelfde tamelijk smalle bed deelden waardoor wij vaak gezellig dicht tegen elkaar aan lagen, als lepeltjes in een laadje.
Al bij ons volgende bezoek was alles wat mijn broer betrof geschiedenis. Wij, Riky en ik en enkele van onze broers en zussen en anderen – mijn herinneringsbeelden verkeren wat dat betreft in een dichte mist –, wij stonden buiten wat onwennig bij elkaar gegroept. Sommigen van ons rookten een sigaret en we hielden een oor gespitst op de geluiden die via de open keukendeur naar buiten waaierden, en spraken met gedempte stemmen over onze broer wiens lichaam gewassen en gekleed binnen op het bed lag, het ziekbed waarop hij zich zoveel weken in doodsnood aan het leven had vastgeklampt als aan een rotspunt boven een peilloos diep ravijn. In afwachting van de begrafenisondernemer drentelde Lida rusteloos op en neer tussen het lichaam van haar man en ons groepje, haar familieleden buiten op het terras. Het leek alsof zij niet kon rouwen, er was nog zoveel te doen; haar kinderen, ons neefje en nichtje, vroegen haar aandacht en de bezoekers hadden misschien behoefte aan koffie of thee, en lag Nico er eigenlijk nog wel toonbaar genoeg bij? Wij stonden daar maar te staan met legen handen. Want hoe konden we troosten? Onze broer was dood. Als eerste van het gezin van onze ouders. Ons parmantige broertje met zijn rode krullen en vrolijke zomersproeten die wij soms te druk vonden, en die sommigen van ons soms zelfs als lastig beschouwden als hij zo graag mee wilde doen. Onze Nico die zo’n kundige metselaar werd en vader van twee kinderen die zonder hem op zullen groeien en hun leven vormgeven. Alles was hem afgenomen. Zijn hartstocht en vitaliteit, zijn dromen en verwachtingen, zijn vreugde om het slagen van dat mooie project, zijn toekomst, gezin en leven. Daar lag hij opgebaard in een lijkkist onder het dak van zijn levenswerk.
Achteraf, nu Wish you were here menigmaal uit de speakers klonk onderwijl ik aan dit verhaal werkte, vraag ik mij af of Nico muziek waardeerde en welke soort dat dan wel was. Was hij van de pop? Klassiek? Populair? Rock? Mijn zus Tiny vertelde mij nog maar enkele weken geleden aan de telefoon, toen ik met haar onder meer over Nico sprak, en later vertelde Ria mij dat zij het gelezen heeft en er ter herinnering iets aan heeft toegevoegd, dat Nico gedurende de jaren dat hij aan zijn huis bouwde en tegen zijn ziekte vocht een dagboek bijhield. Ik kreeg kippenvel bij het horen van dat bericht. Nog een talent waarvan ik niets wist. Misschien heeft hij iets geschreven over muziek die hem kippenvel bezorgde, troostte, ontroerde of waarvan hij blij werd. Wish you were here is in 1975 uitgebracht en was een van Pink Floyds meest succesvolle albums. Ik verbeeld mij hoe dat nummer eind mei 1980 bij het afscheid van Nico zou hebben geklonken.
So, so you think you can tell / Heaven from hell / Blue skies from pain / Can you tell a green field / From a cold steel rail? / A smile from a veil? / Do you think you can tell? / Did they get you to trade / Your heroes for ghosts? / Hot ashes for trees? / Hot air for a cool breeze? / Cold comfort for change? / Did you exchange / A walk on part in the war / For a lead role in a cage? / How I wish, how I wish you were here / We're just two lost souls / Swimming in a fish bowl / Year after year / Running over the same old ground / And how we found / The same old fears / Wish you were here

~~~~~~


Beuningen, Allerzielen, 2 november 2018
Simon Dekker