Er is vrijheid voor
het volk mits men zich aan de gedragsregels houdt. Die zijn niet streng. Er is er
slechts één die, op straffe van een gruwelijke dood, niet overtreden mag
worden: geen vrouw mag zich zonder toestemming laten bezwangeren en geen man
mag ongevraagd de liefde bedrijven. Slechts de Gravida, in haar functie als
eminent leidster, mag willekeurig ieder mannetje dat zij geschikt acht kiezen
als vader voor een nieuwe stam, of toewijzen aan een geëigend vrouwtje. De
huidige Gravida bereikte deze positie vanaf het moment dat zij het zwaarste
vrouwtje bleek. Haar voorgangster werd bij die gelegenheid gedood evenals diens
jongste stamgroep.
Als rittens waren zij al hevig verkikkerd op
elkaar. Maar toen zij volwassen werden, zagen zij de hopeloosheid van hun
relatie in. Zij wisten dat groeien, net zolang groeien tot zij het gewicht van de
leidster zal overtreffen, bijkans onmogelijk is: pogingen van lotgenoten veroorzaakten
steevast toename van het gewicht van de Gravida.
Reeds twee vruchtbaarheidsperioden
hadden zij in onthouding doorgemaakt toen zij geruchten hoorden. Ene Marten Leo
de Koning verkondigt opvattingen waarmee de voorrechten van de Gravida en het
opgelegde celibaat ontkracht worden. Hij zou ‘over de grote plas’ wonen. Toen
zij voor de derde keer vruchtbaar werd proefden zij stiekem de illegale liefdesdaad.
De tweede dag voelde zij al veranderingen in haar lichaam en in de tweede week
werden haar spenen merkbaar langer en dikker. Zij konden niet blijven.
Die grote plas zou in
het oosten zijn.
Als zij van onze
soort waren geweest hadden wij hen emigranten genoemd, vluchtelingen wellicht. Zij
gingen alsmaar voort, het bloed jakkerde door hun aderen. Gisteren, vroeg in de
avond van hun vijfde reisdag, bereikte het hulpeloos verliefde paar de restanten
van een kersenboomgaard. Daar, aan de uiterste rand en over bulten korzelig
bevroren sneeuw, lag een smalle sloot. Niet de grote plas, stelden ze
teleurgesteld vast. Bezorgd keek hij naar haar uitdijende buik. De tijd drong,
zij moesten zich haasten om een veilig en warm onderkomen te vinden. Krabbelend
over het ijs bereikten ze de overkant en vonden een strak en oneindig lang, dor
en onnatuurlijk ruikend vlak. Hij stelde haar gerust. ‘Rennen, we moeten rennen
zo snel we kunnen, dan is het spoedig achter de rug!’
Zo deden zij.
Bijna halverwege
doemden van links twee vurige ogen op. Verbijstert richten zij zich op en
staarden naar dit fenomeen. Haar laatste gedachten gingen uit naar het jonge
leven in haar schoot.
Ik vond hen tijdens een rondje hardlopen. Onbarmhartig uitgesmeerd op het asfalt. Zij aan zij, hun neuzen wijzend naar het oosten. Twee ratten voor altijd verenigd in het moment van hun dood. Zij hebben het niet gehaald, de overkant van de weg of waarheen zij ook op weg waren, hoewel ze een andere vrijheid vonden dan zij hadden verwacht.
Ik vond hen tijdens een rondje hardlopen. Onbarmhartig uitgesmeerd op het asfalt. Zij aan zij, hun neuzen wijzend naar het oosten. Twee ratten voor altijd verenigd in het moment van hun dood. Zij hebben het niet gehaald, de overkant van de weg of waarheen zij ook op weg waren, hoewel ze een andere vrijheid vonden dan zij hadden verwacht.