De varensgezel
Zo, nu durf ik het aan: Soms komt er een weetje op mijn pad. Een stukje
informatie waar je een enkele keer je voordeel mee kunt doen of dat interessant
genoeg is om in het laatje ‘kan nog van pas komen’ op te bergen. Waarschijnlijk
gaat het meeste van hetgeen mijn oren of ogen bereikt langs me heen, onafhankelijk
of ik het eerder al wel of niet hoorde of zag, blijft het meeste ongehoord en
ongezien. Gelukkig zijn er genoeg momenten dat iets wel direct binnen komt. Soms
in een flits terwijl je met je aandacht vooral bij iets anders bent, bijvoorbeeld
bij een boek of een artikel. Ik noem een voorbeeld: een dezer dagen, ik las de
krant terwijl op de achtergrond de radio afgestemd op NPO1 speelde, hoorde ik
een heldere vrouwenstem in keurig Nederlands zingen, veel beter articulerend
dan de meeste hedendaagse zangers en zangeressen. Een fragment van haar lied
kwam luid en helder verstaanbaar bij mij binnen: ‘Op de hoek van de straat, staat een
NSB’er. ’t Is geen man, ’t is geen vrouw, ’t is een farizeeër. Met een krant in
de hand, staat hij daar te venten. Hij verkoopt z’n vaderland, Voor vijf losse
centen…’ Het was voor het eerst dat ik dit liedje hoorde, dit
snippertje van onze geschiedenis, terwijl de Tweede Wereldoorlog wel altijd
mijn belangstelling heeft. Het spotliedje werd in 1942 gezongen door Jetty
Pearl en tijdens de bezettingsjaren uitgezonden via radio Oranje.
Het liedfragment van Jenny – wat voor mij een grappig weetje vormde – bleef
een paar dagen bij mij haken. Het meeste van wat onverwacht, maar ook verwacht binnenkomt
beklijft echter niet en vormt overtollige bagage die je gerust direct in de
prullenbak van je geheugen kunt gooien. Mijn lerend vermogen kent grenzen, Je
kunt nu eenmaal niet altijd op de toppen van je aandacht leven.
Verzamelaar
Voordat ik op de proppen kom met mijn beloofde leuke weetje – overigens een
stempel dat meer over mij zegt dan over het betreffende weetje – wil ik eerst
vertellen dat ik al sinds mijn kinderjaren verzamelaar ben. Aanvankelijk
spaarde ik van alles, vaak samen met mijn één jaar oudere broer Jan. Zoals
sinaasappelmerken, lucifersdoosjes en sigarenbandjes. Later kwamen daar ook
sigarettendoosjes, postzegels en sponsorspeldjes bij die je op je revers kon
dragen. Terugkijkend op die periode vind ik dat niet gek. We waren thuis met heel
veel kinderen en het weinige speelgoed dat er was probeerde je aan te vullen
met, meest waardeloze spullen die op je pad kwamen. Zo kon een kapotte klomp
worden verknutseld tot een bootje of een lege verpakking kon je uitvouwen en
bijvoorbeeld gebruiken voor een tekening of een bouwwerkje. Soms viel mijn oog
op iets bijzonders zoals dat eerste ragfijne en kleurrijk bedrukte stukje
papier dat ik in het keukenafval ontdekte. Het bleek de verpakking van een
sinaasappel. Achteraf gezien is het een wonder, dat in die jaren een dergelijke
uitheemse vrucht ons ouderlijk huis wist te bereiken. Mede vanwege de schaarse
inkomsten waarvan ons gezin met zestien kinderen moest rondkomen. Het was veel
te mooi en in mijn ogen, en in die van mijn broer, veel te kostbaar om zomaar
weg te gooien. Vooral toen we ontdekten dat er verschillende versies bestonden.
In mijn wandelverhaaltje van 29 januari 2019 (https://dekkertje.blogspot.com), waarin
ik eventuele uitruilmogelijkheden van politici schetste, schreef ik: “Dat deden mijn broer en ik ook, dingen met elkaar
uitruilen. Zoals van die zijdezachte velletjes papier waarin zuidvruchten
werden verpakt (tegenwoordig plakt men er van die saaie stickertjes op). We
waren acht en negen, of misschien negen en tien, toen er thuis, waarschijnlijk
voor het eerst in ons leven, sinaasappels verschenen, die bovendien verpakt
waren in van die mooie, schitterend bedrukte, stukjes papier (het betrof vast
een geschenk van de een of andere tante of oom, want geld voor zulke luxe
vruchten hadden onze ouders niet). Zonde om weg te gooien, vonden wij. Dat was
het begin van een kortdurende verzamelwoede. En naarmate de tijd verstreek
verschenen er duplicaten in onze sinaasappelmerken-verzameling, maar ook gaten.
Dus probeerden we daarin evenwicht te vinden door met elkaar te ruilen.
‘Als ik die
van jou krijg, mag jij er een van mij uitzoeken.’
‘Nee, voor
die daar wil ik er twee van jou, want die van mij is met goud bedrukt!’
‘Oké, maar
die daar wil ik niet, daar zitten kreuken in.’
‘Nou, dan
strijk ik hem toch glad!’
‘Ja, nou
wil ik hem helemaal niet meer, nou heb je er ’n scheur in gemaakt.’
Afijn, zo
ongeveer had het er toenmaals aan toe kunnen gaan”.
Van al die verzamelobjecten waren sigarenringen maar
vooral postzegels blijvertjes en
werd ik een filatelist in de dop. Nou ja, eigenlijk ben ik daar nooit uitgegroeid,
uit die dop bedoel ik. De meeste zegels kreeg ik van familie en buren,
afgescheurd van briefkaarten, tijdschriften- en krantenbanderollen en enveloppen.
De gebruikte zegels afweken, drogen en in een album opbergen, dat waren op
zichzelf al leuke activiteiten. Een enkele keer kon ik mijn verzameling een
flinke boost geven door naar Opmeer te fietsen (firma Taconis) of zelfs naar Hoorn,
om voor een habbekrats in een speciaalzaak een zak vol gebruikte postzegels te
kopen: nog meer afweken, drogen, selecteren en opbergen. Op de lagere school
ruilde ik postzegels met klasgenoten en later tijdens speciale bijeenkomsten
van de jeugdbeweging in het parochiehuis van de kerk. Toen – ik vermoed in 1958,
ik was toen elf jaar – kwam de eerste officiële ruilbeurs voor verzamelaars op
mijn weg – niet alleen postzegels, maar ook lucifersmerken, sponsorreversspeldjes,
sinaasappelmerken, sigarenbandjes enzovoort. In alle opzichten een feest voor
verzamelaars. Tafels vol ruilobjecten.
Het was daar, in het gemeenschapshuis
van Hoogwoud, dat ik geconfronteerd werd met het begrip catalogus. Ik had nog nooit
zulke geordende lijsten van postzegels gezien. Het feest werd voor mij compleet
toen ik zo’n, in mijn ogen juweeltje, in mijn schoot geworpen kreeg. Van een
vriendelijke oude man kreeg ik een Catalogus
van de postzegels van Nederland en overzeese rijksdelen, uitgegeven door de NVPH (Nederlandse vereniging van
postzegelhandelaren). Voor zover ik het mij herinner was het een exemplaar uit 1951.
Behoorlijk gehavend doordat het driftig was gebruikt. Uit mijn ruilmateriaal koos
het vriendelijke ouwetje drie postzegels, meer wilde hij niet voor zijn sleetse
boekwerkje hebben. Maar voor mij was dat beduimelde ding vol kreuken en
scheuren, een echte eyeopener. Voor het eerst kreeg ik over- en inzicht van de
Nederlandse postzegels van 1852 tot en met 1951 en leerde ik kleine stukjes
over de Nederlandse geschiedenis. Zo kon ik uit de catalogus leren welke postzegels
ik nog niet in mijn bezit had en dat waren er uiteraard vele malen meer dan die
ik wel bezat. Maar belangrijker was dat ik op deze ruilbeurs begrip kreeg over
de manieren waarop ik mijn postzegels kon bewaren. Dat deed ik tot dat moment
in oude enveloppen, schriftjes en goedkope plakboeken maar vanaf dat moment namen
insteekalbums die belangrijke taak over.
Belediging
Ik groeide op. Vriendschappen, school, werk, verkering en
gezin eisten een groot deel van mijn aandacht. Onder meer daardoor schoot het
verzamelen er bij in en leden mijn verzamelingen een slapend bestaan. Tot ik in
1978 in Nijmegen naast een buurman ging wonen die een fervent verzamelaar was. Laat
ik hem huiselijk Gerard noemen. Hij spaarde naast postzegels ook sigarenbandjes.
Timothy, onze oudste was toen een jaar of zeven en was laaiend enthousiast toen
hij mee mocht kijken met buurman Gerard. Hij kwam thuis met enkele postfrisse
velletjes kinderzegels en een insteekboek. De eerste weken daarna zocht Timothy
Gerard een aantal malen op en kwam steevast met nieuwe aanwinsten thuis. Wij
voelden ons een beetje bezwaard en bespraken dat met onze buren tijdens een
avondbezoekje. Buurman maakte een wegwerpgebaar om duidelijk te maken dat het
om niemendalletjes ging. Bij die gelegenheid kwam ook zijn Willem II
sigarenbandjesverzameling ter sprake: paddenstoelen, bloemen, vogels,
enzovoort. Omdat ik een slapende verzameling sigarenringen bezat kon buurman
Gerard veel van zijn missing links opvullen, zodat wij ons een beetje opgelucht
voelden over de royale wijze waarmee Gerard onze zoon op weg probeerde te
helpen. Uiteraard nam ik die taak van hem over met behulp van mijn eigen
verzameling. Maar Timothy had het druk met waar jongetjes van zijn leeftijd nu
eenmaal druk kunnen zijn, en schonk na verloop van tijd nauwelijks aandacht aan
zijn verzameling. Ik nam die zorg uiteindelijk steeds meer van hem over. Sindsdien
ben ik lid van de Nijmeegse Filatelisten Vereniging Noviopost en werd weer een
aantal jaren min of meer actief als postzegelverzamelaar. Desondanks ben ik nooit een echte filatelist geworden. Wel bleef
ik via Noviopost maandelijks het blad Filatelie ontvangen, lezen en
bewaren.
In het vierde nummer van Filatelie, jaargang 2021 schrijft
Wim Warburg ‘Het verzamelen van poststukken heeft z’n charme. Het gaat niet
alleen om poststukken die vanuit postaal oogpunt interessant zijn.’ Daarna
volgt een interessant verhaal over een poststuk ‘Monster zonder waarde’ dat in
1865 werd verzonden door de firma Groot uit Andijk naar een handelshuis in
Londen – Nanne Janszoon Groot was bij leven koopman in- en teler van tuinzaden,
hij stierf op drieëntachtigjarige leeftijd en liet een vrouw, elf kinderen en
zesenvijftig kleinkinderen achter. In dat filatelistisch verhaal zat een in
mijn ogen grappig feit gesloten waarvan ik nog nooit eerder hoorde. In vroeger
jaren speelde plaatsing van de postzegel op het poststuk nauwelijks een rol van
betekenis. Iedere postbeambte, in het beste geval gewapend met een officieel datum-ontwaardingsstempel,
vond die immers in één oogopslag. Tegenwoordig is het algemeen gebruikelijk dat
een postzegel rechtsboven op het poststuk wordt geplakt – dat is namelijk de
enige plek waar een sorteermachine van PostNL de zegel kan vinden. ‘Heel lang
geleden’, schrijft Wim, waren veel mensen het daar niet altijd mee eens. Hun
weerstand werd opgeroepen door postzegels waarop het profiel van de afgebeelde
persoon naar links is gericht, zoals op de postzegel met de beeltenis van
Koning Willem III – uitgegeven mei 1864 in een oplage van 12.222.000 stuks – waarvan
Nanne Janszoon Groot uiteindelijk zes exemplaren op zijn Monster zonder waarde
hechtte. Rechtsboven opgeplakt kijkt de afgebeelde persoon als het ware weg van
de geadresseerde. Dat vond men halverwege de 19e eeuw een
uitgesproken belediging, vooral als de afgebeelde persoon de koning is. Daarom
plakte men in die dagen dergelijke postzegel(s) in de linker bovenhoek.
Persoonlijk heb ik nooit
gelet op het gegeven dat een en-profil afbeelding op een postzegel links of
rechts georiënteerd is. ‘Wegkijken’ tijdens een ontmoeting, vooral als dit
bewust wordt gedaan, kan inderdaad als kwetsend worden ervaren, maar dat het
zelfs als belediging kan worden opgevat als het een opgeplakte postzegel betreft
vind ik een grappig idee. Nog leuker werd het in Wim Warburg’ verhaal toen over
zijn ontdekking vertelde, dat alle zes postzegels op het betreffende poststuk uit
1865 bewust in een dusdanige positie zijn geplaatst dat ‘Koning Willem III’ altijd
wegkijkt van de naam van de geadresseerde. Namelijk één in de rechterbovenhoek,
twee rechtsonder en drie linksonder, maar deze laatsten omgekeerd! Waarom zou
de firma Groot dat hebben gedaan? Omdat de firma gebrouilleerd was met de
geadresseerde Londense firma John Clark & Sons. Volgens Wim Warburg was dit
halverwege de negentiende eeuw niet ongebruikelijk.
Millennium
Sinds een aantal jaren heb ik een nieuw
verzamelobject gevonden, namelijk het verzamelen van mijn voorouders. Mijn
interesse voor deze nieuwe hobby is ontstaan door het NTR televisieprogramma Verborgen
Verleden – eerste aflevering 26 september 2010. In elke aflevering gaat een
bekende Nederlander op reis om een stukje van haar of zijn stamboom te
onderzoeken.
Het begon ermee dat ik met
behulp van Excel, onze meest nabije familieleden in een overzicht probeerde
samen te brengen. Met support van mijn broer Jan, alweer Jan, het kan niet
anders, we hebben absoluut allebei het verzamel-DNA van onze ouders en
voorouders meegekregen. Het ging ons niet alleen om de namen van onze
grootouders, ouders, ooms en tantes, nichten en neven, broers en zussen, onze kinderen
en kindskinderen, maar ook de datums van geboorte, huwelijk en overlijden, voor
zover wij dat uit eigen agenda’s en andere gegevensdragers konden achterhalen. Dat
leverde al een indrukwekkende hoeveelheid gegevens op en een bevredigend gevoel
bovendien.
Toen we alles op een rij
hadden konden we ons nog een tijd lang bezighouden met het genereren van leuke
weetjes uit de verzamelde familieleden, zoals de gezamenlijke leeftijd van ons,
kinderen van het kerngezin. Zo ontdekten we medio 2015 dat we rond 8 november
2016 met ons veertienen – met uitzondering van Nico (09-09-1950 – 28-05-1980)
en Ina (01-07-1935 – 02-08-1994) – de mooie leeftijd van één millennium zouden
bereiken. We vierden het bereiken van deze mijlpaal bij onze jongste broer
Willem en zijn vrouw Anneke in Julianadorp.
Na het overlijden van nog twee
zussen, Annie (14-11-1936 – 03-09-2019) en Tiny (25-12-1942 – 22-11-2018) en
twee broers, Bruun (15-05-1938 – 03-08-2018 en Rem (26-06-1939 – 15-12-2020),
konden we helaas niet zo veel jaren meer bij de reeds bereikte duizend optellen
en is het kerngezin van mijn vader en moeder gekrompen tot tien personen.
De Exel-stamboom is een
nuttig hulpmiddel gebleken voor de boekhouding van de meest belangrijke
gebeurtenissen in onze familie maar bracht ons niet verder dan onze grootouders.
Naast een vaag begrip van wie onze overgrootouders zijn, kon ik mijn nieuwsgierigheid
naar hun ouders en grootouders niet bevredigen. Terwijl het programma Verborgen
verleden zoveel meer betekent voor BN’ers! Die uiteraard stevige hulp van een
redactie en onderlegde archivarissen kregen.
Onderzoek via het internet naar
mijn voorouders bracht mij op het spoor van het in 2003 opgerichte bedrijf
MyHeritage. Dit is een online genealogieplatvorm. Met behulp van een basis abonnement
gedurende één jaar bouwde ik vanaf 17 september 2016 aan de digitale Dekkertjes-stamboom.
Ik ging er voortvarend mee aan de slag en kon gedurende dat jaar tientallen
voorouders in beeld brengen. Tevens ontdekte ik een paar leuke feiten. Zoals
die verre voorvader, Cristoffel Nicolauszoon Meulenkamp, de overgrootvader van
opa Dekker die vanuit Duitsland West-Friesland bereikte. En het werd nog
leuker, want in plaats van landbouwer, arbeider of boerenknecht – de
gebruikelijke beroepen waarin de meesten van mijn voorvaderen hun dagelijks
brood verdienden – was deze Duitse voorvader kleermaker van beroep. Nu is het
zo dat ik gedurende een aantal jaren, ondersteund door een heuse Margriet-opleiding,
kleding maakte. Mijn moeder claimde in die tijd dat ik deze handigheid van haar
had geërfd. Zij was immers degene die nagenoeg alle kleding voor haar kinderen
naaide of breide. Jammer dat ik moe niet over mijn ontdekkingen heb kunnen
vertellen: ‘Hé moe, weet u wat? Mijn vaardigheid met de naaimachine kwam niet
alleen via jouw genen maar ook langs die van pa!’ Jammer. Het heeft niet zo mogen
zijn: mijn moeder is op 28 september 1988 op de relatief veel te jonge leeftijd
van vierenzeventigjarig jaar wegens een hersenbloeding overleden (terwijl ik
deze laatste zinnen schrijf ben ik al een paar weken ouder dan zij mocht worden!)
Verdriet
Wij
Dekkertjes wisten niet beter dan dat opa en opoe Dekker acht kinderen hadden
gekregen, precies de helft van het gezin van onze ouders – alom in
Westfriesland noemden wij onze grootmoeders opoe, en dat doe ik nog steeds als
ik aan mijn grootmoeders denk ook al noemen onze kleinkinderen ons oma en opa. We
kenden onze zeven ooms en tantes goed en konden hun namen als het ware vlot reproduceren.
Nooit hebben we vermoed dat opoe meer kinderen zou kunnen hebben gekregen. Enkele
van de eerste matches met historische records via MyHeritage lieten zien dat
mijn vader een zus en een broer heeft gehad die op zeer jeugdige leeftijd
gestorven zijn. Er zal derhalve veel verdriet zijn geweest in het gezin van opa
en opoe. Echter over dit zusje en
broertje heeft pa nooit gerept. Niet heel vreemd want de keren dat vader Jan ons
(mij) iets vertelde, wat dan ook, waren zeldzaam. Het eerste verlies waarmee ik
geconfronteerd werd betrof Nico. Maar er is een groot verschil met het verlies
van mijn vader: toen mijn broer op negenentwintig jarige leeftijd overleed, was
ik tien jaar getrouwd en zelf vader van twee kinderen. Evengoed, ook al was ik
voorbereid op zijn dood – hij leefde al een paar jaar met longkanker – was het
bericht voor mij schokkend.
Anna,
het zusje van mijn vader, is geboren op 29 november 1914 en zij overleed op 12
maart 1915. Pa was zes dagen voor haar dood zeven jaar geworden. Hoe moet dat
voor hem zijn geweest? Met haar ruim drie maanden moet Anna al nadrukkelijk
aanwezig zijn geweest in het gezin van mijn grootouders. Mijn vader zal haar
hebben geknuffeld, en misschien getroost of een flesje gegeven. Kwam hij op die
bewuste vrijdag tuis van school en trof hij het gezin in diepe rouw aan? Of was
zijn kleine zusje al overleden voordat hij naar school ging? Lag het dode meisje
opgebaard in een wieg, een ledikantje of in de bedstee van haar papa en mama? Kwam
er in die dagen een begrafenisondernemer aan te pas? Hoe marcheerde het
dagelijks leven in dat kleine arbeidershuisje? Zorgde pa tijdens die
verdrietige dagen, samen met zus Marietje die op tien dagen na één jaar ouder
was dan hij, voor zijn jongere broertje en zijn twee zusjes? Voor opoe en opa
Dekker moet het een enorme domper zijn geweest terwijl zij tegelijkertijd de
zorg voor nog vijf kinderen hadden. Hoe dan ook, het leven ging verder. Dertien
maanden later, op 6 juni 1916 kreeg pa weer een babyzusje. Deze nieuwe Anna mocht
wel in leven blijven, hoewel Tante Annie op de nog jeugdige leeftijd van
zesenvijftig jaar overleed (zij was moeder van elf kinderen).
Bijna
vijf jaar na de dood van hun eerste kindje overkwam mijn grootouders opnieuw zo’n
drama: op 31 januari overleed baby Hyronimus. Hij heeft slechts dertien dagen geleefd. Babysterfte was
zeker niet zeldzaam tijdens die eerste jaren van de vorige eeuw. Was dat daarom
gemakkelijker te dragen? En hoe kijkt een bijna twaalf jaar oude jongen tegen
zo’n drama aan? Misschien logeerde pa gedurende die dagen bij zijn grootmoeder,
opoe Geertje Hoogland, zoals ik ook met regelmaat ergens logeerde om bij
thuiskomst te ontdekken dat er in het ledikantje op de slaapkamer van pa en moe
een nieuw broertje of zusje lag. Na een paar van die logeerpartijen kreeg ik
door hoe de vork aan de steel zat maar toen, na mijn jongste broer Willem, kwamen
er geen kleine Dekkertjes meer bij.
Op
25 februari 1922, twee jaar na de dood van het babybroertje van mijn vader werd
opnieuw een jongetje geboren. Deze ‘nieuwe’ Hyronimus die Roon werd genoemd, had
meer geluk hoewel ook hij veel te jong, op 4 augustus 1983, overleed. Hij werd eenenzestig
jaar maar overleefde evengoed zijn vrouw die een jaar eerder op zevenenvijftigjarige
leeftijd overleed. Zij hebben negen kinderen gekregen. Na hun overlijden bleven
er zes kinderen achter. In 1951 verliet Roon als laatste het gezin van opa en opoe
Dekker. Hij was toen negentwintig, zijn twee jongere zussen waren al eerder getrouwd
– in 1946 en 1948. Inmiddels, waarschijnlijk in 1950, hadden mijn grootouders
een deel van een flinke boerderij, veel dichter bij de kerk van Wognum, betrokken
zodat het ouderlijk huis vrijkwam voor hun jongste zoon en schoondochter. Opa
Dekker stierf kort na de verhuizing, op 25 augustus 1952. Hij is drieënzeventig
jaar geworden. Opoe Dekker overleed op 14 augustus 1956. Een paar weken daarvoor
is zij nog zelfstandig naar haar zoon en schoondochter gewandeld, niet
beseffend dat zij haar huis voorgoed achter zich liet. Tijdens dat bezoek is
zij ziek geworden. Die laatste dagen zorgde tante Sjaan voor haar. We hebben in
de woonkamer van ome Roon en tante Sjaan afscheid van opoe Dekker genomen.
Nog meer
verdriet
Vooral bij ome Roon en tante Jeanette, door iedereen
tante Sjaan genoemd, kwam ik vaak over de vloer, frequenter dan bij mijn andere
ooms en tantes. Hij was veertien jaar jonger dan mijn vader. Een warme vrolijke
man met een door het veelvuldige werk op het land verweerde kop. De vrolijke
verhalen waarvan de lachrimpels rond zijn ogen en mond getuigden, veranderden
na verloop van jaren in trieste, hartverscheurende verhalen.
Ome Roon was tuinder in hart en nieren. Hij teelde onder andere anemonen, tulpen en gladiolen, maar ook aardappelen, wortels, uien en bonen. In de zomer van 1954, toen de anemonen bloeiden, kon ome Roon iemand met kleine en gevoelige handen zoals die van mij goed gebruiken. Ik was zeven toen ik mocht helpen met het oogsten van anemonenwol. Wat ook voor mij sprak was, dat ik nog relatief kort van lengte was. Voortdurend diep bukken was voor mijn oom veel lastiger dan voor mij! Hij liet mij precies zien hoe ik van een afstandje kon zien welke zaadbollen oogstrijp waren en hoe ik die het best van de ‘vruchtblaas’ af kon schuiven, en zorgvuldig in een diepe katoenen zak stoppen, die wel wat weg had van de collectezak waarmee de koster in de kerk rondging. Er mocht niets van het uiterst fijne en kostbare zaad verloren gaan! Ik deed het niet voor de dubbeltjes die ik met dit werkje verdiende, die moest ik overigens toch afstaan aan mijn moeder. Ik was gewoon graag met ome Roon op het land. Ik genoot van zijn aandacht en ik vond het heerlijk als hij mij complimentjes gaf. Vooral bij zonnig weer rende ik na school snel naar zijn land omdat ik wist dat er weer een heleboel zaadbolletjes rijp zouden zijn. En dan begroette hij mij vaak met een stem vol giecheltjes: ‘Ha, ben je d’r weer m’n joôn!’
Nog zie ik mijn oom ongerust de hemel afspeuren als er wind dreigde waardoor een deel van de oogst zomaar weg zou kunnen waaien: ‘Snel Siem, ik helpe je effies dan benne we klaar voor de wind ‘r is!’
Totdat ik in Hoorn naar de technische
school ging werkte ik geregeld met ome Roon op zijn land. Niet alleen met de
anemonen. Ook tulpenbollen poten, aardappelen rooien, wieden, slabonen plukken,
enzovoort. Vaak vertrouwelijk dicht naast elkaar zodat ik zijn adem door zijn
neus hoorde suizelen. Ik herinner me warme momenten in de drukke, kleine
woonkeuken waar we ons tijdens ‘konkeltoid’ bij de kachel warmden met een
dampende kop koffie en een ‘konkelstik’, twee dik beboterde plakken roggebrood
ruim belegd met oude kaas. Onderwijl vermaakte mijn neefje Bruno zichzelf in de
box terwijl zijn twee oudere zusjes, Annie en Klazien vrolijk rond de
keukentafel huppelden. Baby Mary kondigde vanuit de wieg aan dat zij honger
had. Ondertussen redderde tante Sjaan opgewekt wat er te redderen viel en liet
de radio nieuwsberichten horen – met het uitgebreide weerbericht en afsluitend
de waterstanden: ‘Ssst, effies stil nou!’
Het tuinbouwbedrijf groeide
gestadig. Een enkele maal ontstond er veel spektakel als een van de kleintjes in
de smalle sloot langs het erf viel. Twee van hen werden door mij ‘gered’.
Ik herinner mij een voorval waar ik geen helderheid over kan krijgen. Het betreft een bijzondere boodschap die ik op verzoek van tante Sjaan heb gedaan. Tante wist dat ik regelmatig bij haar broer Jaap Schilder kwam omdat hij met ons, jongeren van de Katholieke Jeugdbeweging Spanbroek, het jaarlijkse toneelstuk instudeerde. Jaap woonde in een bijna nieuw hoekhuis aan de andere kant van Spanbroek en was in het bezit van een grote Sint Bernardshond. Op een van de dagen dat ik op weg van Hoorn naar huis bij oom en tante aanging – ik zal vijftien of zestien zijn geweest en wist dat er in het gezin een kind ernstig ziek was. Tante was in de bollenschuur toen ik haar daarnaar vroeg. In mijn herinnering ging het om Lou’tje en kon hij niet meer beter worden of was zelfs diezelfde dag overleden. Tante wilde dat ik dit aan haar broer zou vertellen. Ik zag daar erg tegenop, daarom ben ik maar direct doorgefietst. Hoe dichter ik het huis van Schilder naderde hoe zenuwachtiger ik werd. Op mijn bellen deed de vrouw van Jaap open en werd ik begraven onder minstens zestig kilo hond. Toen het wat rustiger werd en wilde vertellen waarvoor ik kwam, kon ik nauwelijks uit mijn woorden komen. In mijn herinnering moest ik aan een stuk door lachen. Een zenuwlach natuurlijk. Het zal op zich wel goed gekomen zijn, met dat bericht, maar dat het inderdaad Lou betrof daarover twijfel ik nu. Hoewel het natuurlijk kan zijn dat mijn neefje in die dagen ernstig ziek is geweest, moet het over een van de andere kindjes zijn gegaan. Feit is dat Lou Dekker nog leeft, voor zover ik weet. Wel staat vast dat in de betreffende periode Adela is geboren, op 26 september 1962. Ik was toen ruim vijftien en een half jaar. Adela overleed op 6 februari 1964. Een paar maanden voor haar dood ben ik bij het schilderbedrijf van Jaap Lanjouw in Medemblik aan het werk gegaan. Uit dit alles blijkt dat het voorval tijdens de laatste maanden van mijn schildersopleiding plaats heeft gevonden, en dat Adele het zieke kindje was dat maar niet beter kon worden. Hoe dan ook, een peutertje van zestien maanden verliezen is zwaar en moet een enorme schok in het gezin hebben veroorzaakt. Helaas was het voor hen daarmee nog niet gedaan.
Toen het gezin van ome Roon
en tante Sjaan groeide en er ook voor het bedrijf meer ruimte nodig was, werd het
huis uitgebouwd en verscheen er een grote open bollenschuur achter het huis. Nog
weer later werd de kleine arbeiderswoning, het ouderlijk huis van mijn vader,
gesloopt en verscheen er een nieuw, ruim woonhuis waarin het gezin nog enkele jaren
vrijer heeft kunnen wonen. Ten slotte hebben ome Roon en tante Sjaan huis, erf
en bollenschuur verkocht om honderd meter verder, aan de overkant van de straat
een nieuw huis en bedrijfsgebouw te betrekken. Dagelijks fietste ik langs op
weg naar school en weer naar huis en zag de verbouwing vorderen. Af en toe ging
ik bij hen aan de vorderingen te zien en nieuwtjes op te pikken. Ik zie tante
Sjaan in de splinternieuwe, halfopen bloembollendroogschuur staan waar zij
dankbaar gebruik maakte vooer het drogen van haar natte was. Dat ging echt erg snel,
vertelde zij mij. Vanaf het moment dat ik naar Nijmegen verhuisde hoorde ik nog
maar sporadisch iets over het wel en wee van deze familie. Ook het nieuwe huis
en de nieuwe bedrijfsruimte stonden er voor mijn gevoel plotseling toen ik
vanuit Nijmegen via de Tramweg naar Wadway reed. Riky en ik hebben hen daar nog
enkele keren bezocht, onder meer om hen uit te nodigen voor onze bruiloft.
Op Driekoningen 1978, de dag
na mijn verjaardag, stierf Ron Dekker nadat hij op een fietspad was aangereden
door een automobilist. Ron was nog maar zestien jaar. We kregen dat droevige
nieuws pas een aantal weken nadien, toen we een bezoek aan mijn ouders
brachten. En alsof dat niet genoeg was bleef het ongeluk hen achtervolgen.
Opnieuw duurde het wéken voordat het bericht over een tweede dramatische
aanrijding ons bereikte. Anderhalf jaar na Ron werd mijn negentienjarige nichtje
Jeanet aangereden door een automobilist die waarschijnlijk teveel alcohol
gedronken had. Ook zij fietste op een vrij liggend fietspad. Zoals gezegd werden
mijn oom en tante niet oud. Het kan niet anders of het verwerken van zoveel
verdriet, zoveel stress en rouw, moet hun gezondheid ernstig hebben ondermijnd.
Vrachtrijders
Onze zich
steeds verder ontwikkelende stamboom gaf onverwacht ook antwoord op een
vermoeden waarmee ik al een poosje langer rondliep. Zo schreven wij kinderen,
voornamelijk mijn broer Jan en ik, rond 2010 een bondige kroniek over onze
familie, welke opgenomen is in twee opvolgende jaarboeken van Stichting
Historisch Spanbroek-Opmeer. Daarin laten we onze geschiedenis beginnen in 1934
op de datum van het huwelijk van onze ouders. We schreven: ‘Zij gingen wonen
in de buurtschap Wadway, Laantje A2 (nu Spanbroekerweg 241) te Spanbroek waar
zij voor een bedrag van 1500 gulden een klein vrachtrijdersbedoeninkje
overnamen van vrachtrijder Jan Groot.’ Nadien vroeg ik mij af of dat wel zo
was. Of pa ook het vrachtrijdersbedrijf had overgenomen? Of de ‘overname’ niet beperkt
was tot de aankoop van het huis met aanbehoren? In de koopacte, gedagtekend 16
januari 1934, wordt uitsluitend vermeld: ‘Een huis met erf en
boomgaard, aan de Laan te Wadway, ...’ Bovendien is bekend dat Jan Groot Janszoon
als vrachtrijder naar elders vertrok.
In de
jaren voor het gemotoriseerde verkeer bestond het vermogen van een transportbedrijf
voornamelijk uit de klantenkring. Daarnaast had je iets nodig om vracht mee te
vervoeren. Er waren er die een hondenkar gebruikten of een door een ezel
getrokken kar. Pa beschikte over een paard en wagen, zo een met een opbouw
waarop reclameborden voor onder meer Van Nelles Koffie en Thee waren geschroefd.
Daarmee verzorgde hij vooral bodediensten. Uit onderzoek via MyHeritage verkreeg
ik archiefstukken van burgerlijke stand en bevolkingsregister waaruit ik leerde
dat niet alleen mijn vader maar ook mijn opa en mijn overgroot opa vrachtrijder
waren. Zij woonden allemaal rond- en opereerden vanuit Wognum en ik neem aan
dat hun klanten trouw bleven aan vrachtrijder Dekker of dat nu Klaas, Bruno of
Jan was. Hoeveel gezinnen kunnen in zo’n betrekkelijk klein areaal van voornamelijk
bodediensten leven? In 1911 werd in Hoorn een Bond opgericht – de Westfriesche
Bond van Vrachtlieden ‘Gemeenschappelijk Belang’ – die de belangen van leden
vertegenwoordigde, maar ook van belanghebbende middenstanders. Er waren dus
voldoende leden die het de moeite van het oprichten van een heuse Bond waard
maakte. Zouden opa Bruno en pa ook lid zijn geweest? Is het dus niet meer aannemelijk
dat mijn vader de klantenkring van zijn vader overnam? Ik neem aan van wel.
In
de voorgeschiedenis van de Bond schrijft Ir. Bert C. Mantel ‘In vroeger jaren vormden
zij in West-Friesland het belangrijkste contact tussen de neringdoenden in de
stad —in dit geval Hoorn —en de inwoners van de omliggende dorpen.’ En
verder ‘…rond de eeuwwisseling (1800-1900) werd het vrachtvervoer
verzorgd met wagens die werden getrokken door een hond, ezel of paard. De
wagens waren meestal voorzien van een opbouw met de nodige reclame. Als
vergoeding voor het daarmee rondrijden stelden leveranciers veelal een
vergoeding in natura ter beschikking.’ En ‘In het begin van deze eeuw
werd Hoorn bezocht door circa 120 diensten Sommige kwamen dagelijks, andere
twee of driemaal per week.’ Cafés in Hoorn, Enkhuizen en Alkmaar deden
dienst als verzamelplaats waar bestellingen werden opgehaald of ter doorzending
afgegeven.
Vader
Dekker hield het vol tot ongeveer 1950. Ik herinner me de stal met de smalle
toegang van waaruit ik, in de warmte van de ondergaande zon, lang naar het
grote paard kon kijken die afwisselend hooi kauwend en water slurpend, zijn
staart liet zwiepen om een wolk irritante vliegen van zijn lijf te verjagen. Ik
zal toen ruim drie jaar zijn geweest. Mijn vader moest toen het inkomen
verdienen voor een gezin met elf, misschien al twaalf kinderen, terwijl de
inkomsten uit zijn transportwerk slonken doordat de bewoners van de dorpen rond
de steden mobieler werden waardoor steeds minder bodediensten werden gevraagd. Of
hij nog enige vergoeding in ruil voor zijn slinkende klantenkring heeft kunnen lospeuteren
bij het ene of andere vervoerbedrijf blijft voor altijd onder de vracht van de
voorbije jaren verborgen. Inmiddels hebben bedrijven als Piet Schuit en Simon
Loos al die kleine ploeteraars met hun paarden en karren opgeslokt. Onze
wagenberging en de paardenstal werd nog gedurende een tiental jaren voor een
nacht of enkele dagen verhuurd aan voerlui die Wadway na gedane arbeid
passeerden, en het grasveld dat nodig was voor het paard spitte pa grondig om
voor groenten en aardappelen ten behoeve van zijn nog steeds groeiende schare
kinderen.
Vier Jannen
Het basisabonnement op MyHeritage liep na een jaar
af. Mede omdat ik de maximale omvang van dit abonnement had bereikt (250
personen) dacht ik zonder hulp nog wel het een en ander aan te kunnen vullen, bovendien
kwamen andere zaken op mijn pad en niet allemaal even leuk kan ik melden, zoals
spierreuma en een herniaoperatie. Ten slotte kriebelde het weer, ook omdat aan
de hoofd-stamboomtak van mijn moeder nog weinig zijtakken groeiden, vooral ten
opzichte van de hoofdtak van mijn vader die reikte tot mij vermoedelijk in 1700
geboren oudgrootvader Arie Japichszoon Dekker ‘Dol’. Op 7 maart 2021 heb ik mij
opnieuw voor een jaar geabonneerd. Ditmaal op de Premium-versie die recht geeft
op een omvang van 2500 personen. Vanaf de start van dit tweede abonnement concentreer
ik me vooral op mijn voorouders, vooralsnog niet of veel minder op hun kinderen
en andere verwanten. Ik vond opnieuw leuke en minder leuke nieuwe feiten, zoals
voorvaders die molenaar waren én in een watermolen woonden. Chirurgijns,
slagers, vissers, een hoofdonderwijzer en een grootrondbezitter annex
burgemeester. Zussen die enkele generaties later dezelfde nakomeling deelden,
een voorvader die vijf keer opnieuw in het huwelijksbootje stapte, enzovoort. Meest
hebben mijn voorouders Westfriese wortels maar er stamden ook uit Groningen,
Overijssel en Limburg, en voorouders die vanuit Frankrijk via België, Breda en
Amsterdam naar Westfriesland kwamen.
Al na enkele weken vond ik aanvullende
informatie over een mij reeds bekende oudbetovergrootvader Jan Janszoon van den
Eijkel (1717 – 1788) en zijn zoon Jan. In bijna één sessie ontdekte ik zijn
vader, eveneens een Jan Janszoon, grootvader Jan Klaaszoon, overgrootvader
Claes Janszoon en zijn betovergrootvader Jan van den Eijkel. Dat zijn veel
Jannen, zelfs vier Jannen achter elkaar. In mijn stamboom begint en eindigt deze
genealogische lijn via mijn moeder, vooralsnog met deze nieuw ontdekte voorvader,
mijn stambetovergrootvader Jan van den Eijkel. Van hem is slechts bekend dat hij
voor 1610 geboren is in Rotterdam en dat hij in 1640 getrouwd is met ene Jenneke
Claesdochter. Hun zoon, mijn stamovergrootvader Claes Janszoon van den Eijkel,
is op 27 maart 1642 in Rotterdam geboren. Zijn zoon, Jan Klaaszoon, wiens moeder
vooralsnog verborgen blijft, is net als zijn vader in Rotterdam geboren, rond
1660. Eveneens onduidelijk is of Claes Janszoon meer kinderen met deze
onbekende vrouw kreeg. Mijn stamgrootvader Jan Klaaszoon van den Eijkel trouwde
op 28 november 1678 in Rotterdam, met de in Vianen geboren Margarethe Bolthorn.
Zij brachten voor zover bekend, drie zonen voort, alle drie geboren in
Rotterdam, waaronder mijn stamvader Jan Janszoon van den Eijkel, de vader van
de eerder genoemde oudbetovergrootvader.
Bizarre ongevallen
Als je genoeg materiaal vindt waarmee je iets dieper
in de levens van je voorouders kunt graven voel
je het verleden. Over de meeste voorouders kom ik echter niet meer te
weten dan hun geboorte-, huwelijk- en sterfdatum, hun echtgenoten, broers en
zussen en kinderen. Hoe dieper je in de geschiedenis van je familie afdaalt hoe
kleiner de hoeveelheid informatie. Soms blijft het beperkt tot een naam en als
je geluk hebt het geboortejaar of het jaar van overlijden. Over deze Jan Janszoon
van den Eijkel, mijn stamvader, de negende generatie geteld vanaf mijn persoon,
verkreeg ik verrassend veel inlichtingen. Hij werd op 7 juli 1680 geboren in
Rotterdam en overleed op 28 mei 1754 in Noordwijk (Zuid-Holland). Hij was
gedurende zeven jaren in dienst bij de VOC voordat hij ‘zijn boot’ verruilde
voor het huwelijksbootje. Wellicht kreeg hij van zijn kapitein, in de weken
voor zijn vertrek naar de Oost, verlof om in de haven van Katwijk te
passagieren en werd hij daar verliefd op een meisje uit het nabije Noordwijk. Stijntie
was haar naam, geboren op 27 februari 1689 in Noordwijk en de dochter van Korstiaan
Willemszoon van der Boom en Stijntje Jacobsdochter Vergeer. Stijntje zal haar dochter
op het hart hebben gedrukt ‘Denk eraan, meisje, als jij die jongen zo graag
ziet zorg dan dat hij aan de wal blijft, anders heb je immers geen toekomst!’
Meer waarschijnlijk is dat
zij elkaar pas zeven jaar later hebben ontmoet nadat zijn thuisreisschip in de
haven van Rotterdam is afgemeerd. Zij heeft hoe dan ook mijn stamvader, die danig
ernstig verliefd moet zijn geweest, zover gekregen dat hij toegaf aan haar wens
om zijn zeeleven te verruilen voor een landleven. Het paar trouwde op 4
november 1708 in Noordwijk. Zij kregen zes kinderen Margrietje op 1 augustus
1709 en mijn oudbetovergrootvader Jan Janszoon vormde op 2 juli 1717 de hekkensluiter.
Al eerder op 23 april 1713, na drie meisjes, kregen zij een zoontje die zij Jan
noemden. Dit zoontje was nog geen vier jaar oud toen hij overleed. Zijn sterven
viel gelijk met de geboorte van zijn broertje Jan Janszoon. Mijn voorouders
werden vaak geconfronteerd met de sterfte van een of meer jonge kinderen. Bij
de geboorte van een baby hielden ze als het ware al rekening met voortijdige sterfte.
Dit gebeurde zo frequent in de jaren voorafgaande aan de afgelopen eeuw dat sommige
ouders hun kindje pas na enkele weken een naam gaven. Het was dus niet vreemd
dat een volgend kindje de naam van zijn of haar overleden broertje of zusje
kreeg. Die ‘gewoonte’ duurde tot in de
dagen van mijn grootouders. Het opmerkelijke zit in dezelfde datum van
overlijden en geboorte. Eerst denk je dan ook, dat kan niet, ik geloof niet dat
dit werkelijk heeft plaatsgevonden. Toen ben ik maar eens op zoek gegaan naar
registers waaruit ik meer bewijs zou kunnen verkrijgen.
Ik vond voor beide jongens direct
en primair bewijs via gedigitaliseerde registers van Erfgoed Leiden en
Omstreken. Bron: doop-, trouw- en begraafregister, waaruit ik van beide Jannen
hun geboortedatum en de namen van de ouders vond – in het register Noordwijk-Binnen,
NG Dopen 1621-1811. In de overlijdensregisters vond ik alleen een vermelding van
één Jan van den Eijkel. Dit betrof de zoon van mijn oudbetovergrootvader, en is
gedateerd op 11 december 1805, met als woonplaats ziekenhuis. In FamilySearch
Stamboom vond ik (direct en primair) bewijs in zake kleine Jan:
Overlijden juli 1717 in Noordwijk Zuid-Holland. En in GenealogieOnline
stambomen index: Overlijden 2 juli 1717. Over Jan Janszoon vind ik in GenealogieOnline
stambomen betreffende zijn overlijden: 7 oktober 1788 – Noordwijk (ZH); …
Nederlands. begraven pro deo 7 oktober 1788, Noordwijk Zuid-Holland. Uit mijn
onderzoek blijkt dat er (nog) geen onomstotelijk bewijs is te vinden dat hun
eerste zoontje inderdaad op 2 juli is overleden. Toch neem ik dat voor mijn
stamboomonderzoek voorlopig aan.
Zelfs in de tijd waarin het
veelvuldig voorkwam dat kinderen op zeer jeugdige leeftijd stierven, moet het voor
Stijntie en Jan Janszoon sowieso een drama zijn geweest om een kindje van bijna
vier jaar te moeten verliezen. Jantje was immers geen baby meer. Hij had inmiddels
een leeftijd waarop zijn ouders mochten vertrouwen dat hij zijn kindertijd al
zou hebben overleefd! Er kan natuurlijk van alles zijn misgegaan. De zorg voor
moeder en kind was nog lang niet op het peil als in onze dagen en er bestond
voor veel kinderziekten geen remedie. Maar op dezelfde dag afscheid moeten
nemen van een kind en het leven aan een nieuw kindje geven, dat moet voor hen bizar
zijn geweest. En zo ook voor hun omgeving: Moeten we hen condoleren of
feliciteren?
Ik heb zo’n situatie een keer
van nabij ervaren, gelukkig bleef het bij die ene keer! Het overkwam mijn jongste
zus Gerda. Voor haar sloeg het noodlot toe op zondag 17 juni 1979, het was Vaderdag
en het jonge gezin zat na een bezoek aan haar schoonouders in de auto op weg
naar huis. Een auto met daarin twee waardeloze zatlappen, in die zin dat het
waardeloos is om dronken achter het stuur te gaan zitten. Zij kwamen hen
zwabberend en slingerend op hoge snelheid tegemoet.
Gerda’s man schreeuwde nog
iets als ‘klootzakken…’ maar kon op de smalle eenbaansweg dit gevaar niet meer tijdig
ontwijken zodat de auto’s frontaal op elkaar botsten. Gerda was hoogzwanger. De
bijna voldragen baby in haar buik heeft haar waarschijnlijk gered doordat het fungeerde
als een van de tegenwoordig verplicht ingebouwde airbags. Haar man en hun dochtertje
Saskia, op twee maanden na drie jaar oud, waren op slag dood. Mijn zus was zwaargewond
en moest uitgezaagd worden en per ambulance naar het ziekenhuis. Een van de
zatlappen overleefde de crash. Diep in de nacht en zwaar onder de pijnstillende
medicijnen beviel Gerda van haar dochtertje Susan.
Om deze schaduw over de
geboortedag van haar dochter zoveel mogelijk te beperken is die vastgesteld op
18 juni 1979. Ik zie haar nog in haar ziekenhuisbed in de kamer die wij met
lood in de schoenen betraden, zwaar gekneusd en een afgetobd gezicht door alle doorstane
emoties van de voorgaande uren. Boven haar bed zowel beterschapskaarten als
felicitatiekaarten met de geboorte van de nieuwe baby. De pijn dat zij Saskia
niet meer heeft mogen zien en de blijdschap over de geboorte van Susan streden
alom om de voorrang. Ach, zusje toch!
Historische gegevens vertellen niets over een
eventueel ongeluk dat de kleine Jan van den Eijkel in 1717 mogelijk zou zijn
overkomen. Ook vind ik rond de betreffende datum niets over eventuele
besmettelijke ziektes of virussen, zoals het Covid-19 virus dat in onze dagen een
pandemie veroorzaakt en waarschijnlijk nooit meer zal verdwijnen. In 1712 was
de pest opnieuw uitgebroken in Utrecht. Ziekte specifieke kaarten werden pas
ontwikkeld vanaf 1857 (Tijdschrift voor Geneeskunde). Er heerste veel armoede onder
de bevolking dat zal in die tijd een grote rol hebben gespeeld. Steve Hawking
merkte terecht op: ‘Wetenschap kan mensen uit armoede opheffen en ziekte
genezen. Dat zal op zijn beurt de burgerlijke onrust verminderen.’
Wat is er dus met Jantje
gebeurt? Is hij aangereden door een van de vele door een paard, ezel of hond
getrokken karren die in die dagen rondreden? Was hij vanwege de aanstaande
bevalling samen met zijn zusjes uit logeren en werd hij meegenomen naar het
strand vanwaar hij, in een onbewaakt ogenblik, de zee in is gelopen en
jammerlijk verdronken? Het waardoor of waarom, we weten het niet.
Jongmatroos
Onze stamvader Jan Janszoon van den Eijkel werd op eenentwintigjarige
leeftijd zeeman. Hij kwam in dienst bij de Verenigde Oostindische Compagnie
(VOC), ’s werelds grootste handelsorganisatie, opgericht in 1602 onder de naam Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie.
Jan Janszoon werd opgeleid tot
jongmatroos. Uit door mij verkregen historische gegevens kan ik opmaken dat mijn
stamvader, gedurende de zeven jaren die hij bij de VOC diende slechts één zeereis
heeft gemaakt.
De heenvaart werd door de
Kamer van Enkhuizen onder inventarisnummer 14642, folio 83 geadministreerd. Het
schip waarop hij zijn vaderland op 21 december 1701 verliet is de Venhuizen, of
Venhuysen onder commando van kapitein Dirk de Reus. Het betrof een schip van
het model fluitschip. Wikipedia: ‘Een fluitschip of fluit (fluytschip,
fluyt) is een lang type zeilschip met drie masten, een platte
bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd
in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in
Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen
(ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare
afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler
dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.’
De Venhuysen
is in 1697 gebouwd, in opdracht van de Kamer van Enkhuizen op de VOC-werf in
Enkhuizen. Het is in Batavia verkocht op 11 oktober 1712. Het schip werd extra
verstevigd omdat het de tropische zeeën zou bevaren waar hitte de sterk gebogen
planken van de romp kon doen barsten. Het schip had een lengte van 130 voet
(bijna veertig meter) en kon worden beladen met een vracht van 125 last (250
ton). Aan de boeg bevond zich een kleine uitbouw of galjoen. De Kamer
van Enkhuizen was een van de zes kamers (een ondernemingsvorm) van de VOC. De
andere kamers waren die van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Delft en Middelburg.
Bij de oprichting in 1602 kreeg de VOC in Enkhuizen de beschikking over de
Engelse Toren aan de Oosterhaven, bij de Blauwpoortsbrug. In de tijd van Jan
Janszoon was de kamer verhuisd (1628 – 1816) naar een pand aan de Wierdijk, dit
‘nieuwe’ pand ging uiteindelijk door brand verloren.
Ik probeer mij te verplaatsen in de Rotterdammer, de
jonge Van den Eijkel. Ik zie hem als het ware, met de hulp van vader Jan en broer Willem, met
zijn bagage in de vorm van een grote en onhandige zware scheepskist sjouwen,
die in de dagen daarvoor zorgvuldig door moeder Margaretha werd ingepakt. Zijn
ouders zullen al wel tranen hebben gelaten toen hun oudste hen informeerde over
zijn aanmonsteringsplannen. Nu het zover is en hun kind zo’n verre en
gevaarlijke reis gaat ondernemen hebben zij het moeilijk: ‘Misschien zien we
hem nooit meer, Jan!’
‘Ach moeder, we moeten er
maar het beste van hopen.’
Zeker is dat zij hem vele
jaren niet meer zullen zien en zelfs onzeker of zij hem ooit nog in hun armen
zouden kunnen sluiten. Dat was wel iets anders dan toen wij afscheid moesten
nemen van onze jongste zoon. Jesse ging met zijn vriend Pieter, een wereldreis van
één jaar maken. Eerst naar Indonesië, van daar naar Australië en vervolgens
naar Nieuw-Zeeland. Ons kind reisde met een veel veiliger vervoermiddel dan
zijn verre voorouder. De kans dat Jan Janszoon die gevaarlijke zeereis niet zou
overleven was vele malen groter dan dat het vliegtuig van Jesse en Pieter zou
kunnen crashen. Bovendien verbrak Jan Janszoon door zijn vertrek zo ongeveer
alle contacten met zijn familie terwijl Jesse regelmatig met ons kon telefoneren
en ons brieven of kaarten kon sturen zodat wij zijn wel en wee konden volgen.
Niet dat hij daarvan veelvuldig gebruik maakte, het kón! Jan Janszoon heeft via
een beurtschip wellicht af en toe een berichtje naar zijn ouders kunnen sturen
of een levensteken van thuis ontvangen, maar dergelijke tijdingen waren vaak langer
dan anderhalf jaar onderweg!
Moeder heeft hem voor het
ouderlijk huis al uitgebreid geknuffeld, van goede raad voorzien, hem in het
oor gefluisterd dat zij iets lekker voor hem heeft ingepakt en afscheid genomen.
Nu zeulen de broers en hun vader met de onhandige zeemansbepakking over de nog meest
onverharde Dam, de latere Hoogstraat, waar kroegen hun eerste vroege gasten
ontvangen. Regelmatig wordt het groepje door een bekende aangeroepen. Rotterdam
is in die dagen eigenlijk nog niet veel meer dan een flink uit de kluiten
gewassen dorp waar iedereen elkaar kent, met uitzondering van de vreemde
sujetten die met de schepen meegekomen zijn. ‘Vaarwel, vaarwel’ klinkt over en
weer, ‘het ga je goed!’
In de zeventiende eeuw werden
rond het riviertje de Rotte maar liefst vijf havens aangelegd. Door de
oprichting van de VOC namen de handel en de scheepvaart snel toe. Misschien lag
het goede schip Venhuyse in de Leuvehaven gereed. Deze haven, Rotterdams oudste
haven had sinds 1600 een open verbinding met de Maas. Vanuit hier voer de
Venhuyse naar de rede van Texel waar nog goederen moesten ingenomen. Wikipedia
over de rede van Texel: ‘Van de vijftiende
tot begin negentiende eeuw was zij van belang voor de scheepvaart vanuit het
gehele Zuiderzeegebied. Op de rede wachtten schepen op een gunstige wind om uit te
zeilen, of namen zij bijvoorbeeld proviand en water in. Ook functioneerde de
rede als overslagplaats voor schepen die beladen een te grote diepgang hadden
voor de ondiepten van de Zuiderzee. De bloeitijd van de Rede van Texel lag
globaal tussen 1500 en 1800. In de negentiende eeuw kwam een eind aan het
gebruik om bij Texel te ankeren.’
Toen alle goederen waren gestouwd
heeft Dirk de Reus zijn matrozen opgedragen de trossen los te gooien en de
zeilen naar de wind te zetten. Onder een strakblauwe hemel zie ik de spitse
voorsteven van het peervormige schip statig richting zee draaien. De zeilen aan
de drie maten bollen op in de wind. Nog even en ik zie niets meer dan de ronde
achterkant; de verre reis heeft een aanvang genomen. Eerst naar Kaap de Goede
Hoop, die door de eerste Europeaan die de kaap ontdekte Cabo das Tormentas, Stormkaap werd genoemd. Op 6 juni
1702 komt het schip aan bij de Kaap waarvandaan het op 25 juni 1702 vertrekt
naar Batavia, het tegenwoordige Jakarta
op het eiland Java, waar de Venhuysen 5 september 1702 afmeert. Jammer dat niets
bekend is over Jan Janszoons werk-, woon- en leefomstandigheden aldaar.
Repatriëring
De terugvaart van onze stamvader is vastgelegd door
de Kamer van Rotterdam onder reisnummer 61755. Van den Eijkel maakte deze reis op
het zogenoemde Spiegelretourschip IJsselmonde. Dit scheepstype dankt haar naam
aan de scheepsspiegel, het vlakke gedeelte dat als ware als een spiegel boven
de achtersteven hangt. Dit zeilschip is gebouwd voor het vervoer van goederen
en personen. Het was uitgerust met drie masten en een sprietmast. De
IJsselmonde werd in 1693 voor de Kamer van Rotterdam gebouwd op de VOC-werf
Rotterdam. De VOC heeft het gebruikt tot het op 30 oktober 1716 werd opgelegd in
Batavia – in VOC-termen onttakelen. Het schip mat 145 voet (44 meter) met
een laadvermogen van 832 ton. Bij Wikipedia lees ik over de omstandigheden aan
boord: ‘De bemanning bestond voor 60% uit
zeelieden, vaak uit verschillende delen van Europa (en maar al te vaak
geronseld) en 30% militairen. Verder waren er ambachtslieden, handelaren en
passagiers aan boord. Op de heenreis had men gemiddeld 206 mensen aan boord en
op de terugreis 109. Dit kwam doordat een groot deel van de bemanning onderweg
stierf door ziektes. Het voedsel en drinkwater bedierf vaak en was arm aan vitaminen. Zo ontstond scheurbuik,
een groot probleem onder de bemanning. Af en toe stond er vlees op het menu
omdat er enkele kippen en varkens werden meegenomen. Vooral voor het lagere
deel van de bemanning was het leven aan boord bijzonder zwaar. De hogere rangen
hadden nog eigen hutten maar de lagere bemanning sliep in slaapzakken in een
slecht geventileerde ruimte voor in het schip.’ Het zou nog tot halverwege de achttiende eeuw duren voordat
men erachter kwam dat met het regelmatig eten van ingezouten zuurkool
scheurbuik kon worden voorkomen.
Stamvader Jan Janszoon van
den Eijkel moest Batavia op 10 november 1707 verlaten omdat hij werd
gerepatrieerd. Dat hij door de VOC naar zijn vaderland werd gezonden is waarschijnlijk
omdat hij dusdanig ziek of gewond was dat herstel in Oost-Indië niet voor
mogelijk werd gehouden. De terugreis werd gemaakt met de IJsselmonde, het schip
dat onder bevel stond van kapitein Jan Jongerens. Op 30 januari 1708 bereikte
de IJsselmonde Kaap de Goede Hoop. Blijkbaar moest lang op gunstige wind worden
gewacht want pas op 23 april 1708 kon kapitein Jongerens de trossen los laten
gooien. Op 18 september 1708, tweehonderdtweeënzestig jaar voordat een van zijn
vele nazaten in de echt werd verbonden bereikte de IJsselmonde de haven van
Rotterdam.
Jan Janszoon kreeg het druk
in de dagen na zijn aanlanding. Hij moest wellicht herstellen van de lange zeereis
maar misschien ook vanwege ziekte of de gevolgen van een ongeval, terwijl zijn
huwelijk al spoedig op 4 november 1708 zou worden voltrokken. Hoe ging dat in
het begin van de achttiende eeuw? Zeker is dat alles veel trager verliep dan in
onze dagen. Voor een reis naar een andere stad of dorp had je vaak meerdere
dagen nodig, dat ging per trekboot, met de postkoets of lopend. Alle afspraken
maakte je per brief. Dergelijke berichten waren meerdere dagen of zelfs weken
onderweg. Hoe vond hij werk en in welk beroep? Er moest kennis gemaakt met zijn
aanstaande schoonfamilie, een betaalbare woning worden gevonden en huisraad
aangeschaft. Het bruiloftsfeest moest geregeld, wie nodigen we uit? Met zijn
gezin namen zijn zorgen snel in omvang toe. Hij was achtentwintig toen hij
trouwde, negenentwintig toen zijn dochter Margrietje werd geboren, dertig toen
hij vader werd van Stijntje, zijn tweede dochter en eenendertig toen
Willemijntje werd geboren. In zijn tweeëndertigste levensjaar kondigde zoon Jan
zich aan en bijna drie jaar later, op zijn vierendertigste kreeg hij een vierde
dochter, Adriana. Toe kwam dat zware jaar 1717. Jan Janszoon was zesendertig
toen Jantje overleed en zijn zoon Jan Janszoon werd geboren. Op zijn tweeënzestigste
trouwde deze laatste zoon, mijn oudbetovergrootvader, op 5 maart 1743 met
Jannetje Dirksdochter Glasbergen.
Stamvader en oud matroos Jan
Janszoon van den Eijkel overleed op zijn drieënzeventigste, op 28 mei 1754. Eenentwintig
jaar later, op 5 november 1775, overleed zijn weduwe Stijntie van der Boom op
de respectabele leeftijd van zesentachtig jaar.
Tot slot nog een leuk weetje: op het moment dat ik dit
schrijven afsluit, 12 mei 2021, heb ik 428 voorouders gevonden. Via mijn moeder
rijkt een van onze stamboomtakken over een afstand van bijna vijfeneenhalve
eeuw, tot 1480, het jaar waarin mijn stamoudovergrootvader Cornelis van
Moerkerkcen is geboren.
Beuningen, mei 2021